Interview met Gerard Scharn

Gecultiveerde afstandelijkheid

 

Gerard Scharn (Gemert, 1946) publiceerde poëzie in Lava, Plebs en Dighter en verdiende zijn strepen op podia als de Prinsentuin en Onbederf’lijk Vers. Hij doet ook af en toe een slam aan. Beroepsmatig heeft hij enkele jaren gevaren bij de marine, waarna hij diverse jobs had. Uiteindelijk studeerde hij af als jurist aan de Universiteit van Tilburg.

Foto: Gerard Monté

U doet heel wat podia aan in Nederland. Wat maakt het voordragen zo leuk?
De reis er naar toe, de ambiance, de andere dichters en niet te vergeten het gegeven dat ik graag op een podium sta.

Wie ontmoet u graag op het podium en kunt u nog wat van de anderen leren?
Dat laat ik graag in het midden voor zover dit betrekking heeft op het eerste deel van uw vraag. Voor het overige leer ik vooral van de manier waarop wordt voorgedragen.

Denkt u dat uw poëzie sterker wordt op het podium?
Volgens mij blijft het lood om oud ijzer. Wel kies ik die gedichten voor een voordracht die ik als goed beschouw en dat zijn er maar enkele. Een slecht gedicht wordt door een goede voordracht geen beter gedicht.

Meander interviewde de laatste tijd heel wat jonge snaken in de poëzie. U heeft uw roeping blijkbaar later gevonden?
Ondanks dat ik altijd belangstelling heb gehad voor het geschreven woord, met name om het te lezen, ben ik met het schrijven van poëzie pas een jaar of elf geleden begonnen en wel naar aanleiding van een telefoongesprek. Tijdens het gesprek zei ik de andere kant in een impuls toe haar tweeënveertig dagen een gedicht te schrijven. Dat heb ik inderdaad gedaan en daarna ging ik – met tussenpozen weliswaar – gewoon door. In mijn marinetijd schreef ik wel eens een stukje voor de scheepskrant en daarvoor als spil van het hockey team de verslagen. Mijn studie aan de UvT heeft een referaat over tuchtrecht aan boord van VOC-schepen opgeleverd en een scriptie over de hadd-straffen in de Koran.

U deed veel verschillende dingen. Is dat een voordeel voor een dichter?

In mijn geval wel, maar er zijn uiteraard meer invloeden, zoals een voorliefde voor jargon en obsoleet taalgebruik, alsmede de stijl van mijn vader waarin hij zijn processen-verbaal schreef, de ultieme afstandelijkheid.

Uw poëzie heeft vaak een laconieke, ironische en zelfs sarcastische ondertoon. Ze klinkt erg volks. Vanwaar die stijl?

U bent niet de eerste die mijn poëzie als volks of als geworteld in het kleinburgerdom bestempelt. Zelf zie ik het als een uiting van gecultiveerde afstandelijkheid, een mechanisme zelfs, dat mij in staat stelt gevoel onbesproken te laten. Toch bestrijd ik uw opmerking dat ze allemaal erg volks zijn, waar nodig laat ik af en toe gevoel vermoeden.

Volks is niet kleinburgerlijk. Het is een stijl waarin men graag over de kleine dingen spreekt. Ik vroeg me af of u dat bewust doet.
Wat voor de een kleine dingen zijn, zijn voor de ander zaken van gewicht. Juist dat toekennen van gewicht aan kleine dingen – al of niet terecht – is voor mij boeiender dan het verhevene in poëzie trachten te vangen, dat voor de meeste dichters die zich daaraan wagen dan ook vaak een brug te ver lijkt.

Wat zou u nog willen bereiken met uw gedichten?
Bestendiging van wat ik tot op heden heb bereikt.

Een eigen bundel?
Wie weet?!

Interview met Daniel Bras

Een rookwolk boven een huis in een eenzame vlakte

 

Daniel Bras (Utrecht, 1962) schrijft gedichten op het snijpunt van theater en poëzie en publiceerde in tijdschriften als Passionate, Tzum, Lava en Krakatau. In het voorjaar van 2000 organiseerde De Rode Hoed een tentoonstelling van zijn poëzie en fotowerk. In 2002 won zijn toneelstuk Tribunaal de tweede prijs in festival Hollandse Nieuwe nr. 6. Hij publiceerde in eigen beheer de bundels Van leven luis (1988) en De stilte van een ongeschonden stad (2000).

Hoe lang schrijf je al poëzie en wat betekent het voor je?
Het wereldkampioenschap voetbal in 1974 bracht mij ertoe mijn eerste gedichten te schrijven. Maar eigenlijk was mijn moeder mijn eerste inspiratiebron, omdat zij woorden verzon die niet bestonden. Sinds 1974 houd ik me vrijwel dagelijks bezig met schrijven. Het is een oefening in nederigheid en tegelijkertijd in ambitie; iets creëren dat nog niet eerder zo onder woorden werd gebracht. Ik schrijf om vorm te geven aan een manier van kijken, van verwondering, woede en angst.

Hoe uit zich die woede en angst in je poëzie?
Het sublimeert zich. Woede is nooit alleen maar woede en angst bestaat niet enkel uit angst en het is mijn taak als dichter om deze geschiedenis inzichtelijk te maken voor de lezer. In 2002 nam ik deel aan Hollandse Nieuwe, een festival georganiseerd door het toenmalige Cosmic theater. En hoewel het geen onverdeeld succes bleek te zijn, werd mij wel duidelijk dat een emotie het beste tot haar recht komt wanneer ze onderhuids blijft. Je benoemt ze niet, maar de lezer pikt ze wel op. Natuurlijk is de vorm waarin het gedicht is geschreven van evident belang.
Na een debacle, waarbij een volgend toneelstuk slecht geïnterpreteerd werd, besloot ik voortaan alleen nog maar zelf mijn teksten voor te dragen. Daarbij viel me op dat mijn werk een link had met voordracht. Mijn eerste bundel Van het leven luis  was een geschreven performance. Mijn tweede bundel had de vorm van een tentoonstelling. Rond dezelfde tijd bezocht ik een aantal optredens van dichters, slams en festivals. De meeste poëzie was eendimensionaal. Men werkte met oneliners, wilde direct de goedkeuring van het publiek. Wat de meeste dichters misten, was de overtuigingskracht van het toneel. Zij staan als zichzelf op het podium, terwijl zij in feite de rol van voordrachtskunstenaar spelen. Vanaf dat moment besloot ik gedichten te schrijven in de vorm van theaterteksten. Het voordeel is dat je een bepaalde emotie kunt uitspreiden over een aantal gedichten, waardoor je de hele geschiedenis ervan kunt beschrijven.

Is optreden een goede ervaring geweest?
Ik kom moeizaam uit de startblokken. Meestal duurt het een aantal jaren voordat ik zeker ben van mezelf en de gedichten die ik heb geschreven. Dat komt ook omdat ik telkens iets nieuws wil schrijven. De thema’s mogen hetzelfde blijven, de vorm waarin zij worden gegoten moet anders zijn. Toen ik besloten had mijn teksten voor te dragen, schreef ik me in voor het festival Onbederf’lijk Vers in Nijmegen. Ik werd uitgenodigd en las die avond mijn gedichten voor in een café waar ook twee andere dichters optraden. Dit optreden sterkte me in het idee dat ik de juiste vorm had gekozen. Sindsdien heb ik regelmatig mijn gedichten voorgedragen, met wisselend succes. Elke keer moet je de juiste toon zien te vinden en, omdat het publiek van plek tot plek verschilt, is elk optreden weer anders. Een goede voorbereiding is alles. Zodra je in die ene lichtvlek gaat staan, moet je de tekst onder controle hebben, zodat je ermee kunt spelen.

Hoe zou je je poëzie willen omschrijven?
Ik zou mijn poëzie niet willen omschrijven. Wat ik over mijn poëzie kan zeggen is dat ze sluimert. Het is als een rookwolk boven een huis in een eenzame vlakte. Het is een paard dat met een deken op zijn rug naast een besneeuwde schuur staat. Als dichter sta je in een bepaalde traditie. Soms stuit die traditie je enorm tegen de borst, grijp je alle mogelijke middelen aan om er afstand van te nemen, en een enkele keer voel je je er thuis. Als ik bij een bepaalde traditie thuishoor, dan hoop ik dat het de traditie is van de epiek.

Recensie van Verzen van verbondenheid - Gerard Beense

Als elke stad een dichter had

Gerard Beense
Verzen van verbondenheid
Uitgever: Kontrast
2008
ISBN 9789078215684
€ 15,-
160 blz.

Ter gelegenheid van de op 29 november gehouden Nationale Stadsdichtersdag (de vierde inmiddels, en opnieuw in Lelystad) verscheen onder de wat oubollige titel Verzen van verbondenheid een door Gerard Beense samengestelde bloemlezing van 125 gedichten van 45 stadsdichters, onder wie ook enkele Belgische.
Driek van Wissen mocht de bundel met een sonnet inleiden en verder zijn er, om de bekendste namen te noemen, bijdragen van Joke van Leeuwen, Joost Zwagerman, Jan Eijkelboom (†), Frans Hoppenbrouwers, Lenze Bouwers, Hanz Mirck, George Moormann, Rense Sinkgraven, Jos Paardekooper, Willy Verhegghe, Benne van der Velde, Frank van Pamelen en Frederik Lucien de Laere, van wie overigens alleen de drie laatsten Lelystad aandeden.

Uiteraard zijn er nogal wat gedichten bij die op concrete stedelijke gebeurtenissen ingaan, zoals het overlijden of juist de inauguratie van een burgemeester, een bepaalde herdenking of het zoveeljarig bestaan van een sportvereniging, maar veel vaker worden specifieke locaties beschreven of gaat het om een – meestal kritische – visie op de stad in zijn totaliteit. Veel gelegenheidsgedichten derhalve, maar soms overstijgen die de beperktheid van het genre.
‘Als elke stad een dichter had,/ door passie voortgedreven,/ dan kwam er reuring in de stad./ Dan kwam zo’n stad tot leven’, zegt Marian van Gog. Als zij daarbij doelt op het gedicht dat Hans Kuyper schreef bij zijn benoeming tot stadsdichter van Zaandam, hoeft dat niet eens ver bezijden de waarheid te zijn:

De eeuwige

Dan kun je bouwen wat je wilt,
bruggen slaan en grachten graven,
ten slotte hemelend de raven voeren –
ze is er nog,
traag als turf en zilvergrijs,
de Zaan.

Of je zoekt je eigen weg,
wijd en zijd, hot naar haar,
kant naar wal, wal in sloot –
ze komt terug,
loom als lood en soeverein,
de Zaan.

Dus mag je dromen wat je kan,
om het even welke stroom bezingen,
de rimpelingen van een verre vaart –
ze is het toch,
hard als hout en zaagselzacht,
de Zaan.

Het is in deze lijvige bundel even zoeken, maar er zijn in deze bundel via een route die loopt via Amersfoort (aardige gedichten van David van den Bosch), Dongeradeel (Akke Brouwer met een mooi gedicht over Haverschmidt, Dominee in Foudgum) en Helmond (Bert Kuijpers met vaardig plezierdicht) naar Vlaanderen meer ontdekkingen te doen. Voor Ninove schreef Willy Verhegghe bijvoorbeeld met ‘Bij een foto’ een sterk in memoriam voor Hugo Claus. Dit is de laatste strofe: ‘Zijn zwemmende as tart nu de Noordzee,/ hij lapt er de oesters aan zijn moegestapte laars/ en speelt met de zoute kloten van Neptunus./ Maar met stijl, mijnheer.’
Dat pakt je.

Recensie van Ergens halverwege zweven - A. Marja

Aan deze kant is men een levend mens

A. Marja
Ergens halverwege zweven
Uitgever: kleine Uil
2008
ISBN 9789077487686
€ 14,50
128 blz.

Met Ergens halverwege zweven, hun bloemlezing uit de poëzie van A. Marja, zeggen samenstellers Coen Peppelenbos en Nick ter Wal een hernieuwde belangstelling te willen be­werkstelligen voor de gedichten van de man die maniakaal de rol van practical joker speelde en graag poseerde als ‘enfant terrible’.
Peppelenbos en Ter Wal selecteerden inclusief de losse kwatrijnen en de grafschriften precies honderd gedichten en kozen daarbij voor een thematische opzet, waarbij ze zelfs in de aparte afdelingen de chronologie doorbraken. Achtereenvolgens komen aan de orde Marja’s gedichten over va­der en moeder (veel meer moeder dan vader trouwens), het dichterschap, zijn worsteling met het geloof (‘Nochtans een christen’), zijn maatschappelijk engagement, liefde en geluk (en het gebrek daaraan) en de dood als voorspelbaar sluitstuk. Daarnaast bevat de bundel twee cycli: de sonnettencyclus ‘Droom van zon en sneeuw’ en de cyclus ‘Wat ik speelde’ (gedichten die Marja schreef bij de ‘Kinderszenen’ van Robert Schumann) en nog een restgroep onder de vrolijke noemer ‘Ik ben het aapje mens’ .

In Tussen de gemaskerden (1958), een bundel met allerlei persoonlijke herinneringen en essayistische uitweidingen, somde Marja zeven ‘stokpaardjes’ op die hij er met betrekking tot de poëzie op nahield:
1. Goed geschreven is alleen wat spontaan ontstaat; zodra er bij het schrijven gezwoegd moet worden, is er iets mis. 2. Een gedicht dat men niet kan begrijpen is een mislukt gedicht. 3. Het is in poëticis altijd boeiender nieuwe wijn in oude zakken te doen, dan deze zo maar uit te gieten. 4. Als dichter moet men altijd de ‘moeilijkste’ weg nemen en in elk geval zijn aandriften voortdurend wantrouwen. (In de resterende drie zegt hij dat de meeste critici analfabeet zijn of te lui om wat zij moeten beoordelen ook werkelijk te lezen, dat voordrachtskunst grenst aan oplichterij en dat socialisme een zaak is van fatsoen.)

Neemt men Marja’s poëzie de maat met diens eigen uitgangspunten, dat is het duidelijk dat voor hem begrijpelijkheid voorop stond en dat zijn beste gedichten de vormvaste zijn. En die hebben dankzij het gebruik van ‘gewone’ spreektaal, soepel rijm en veelal een anekdotische invalshoek inderdaad de illusie van spontaniteit. Zijn beste gedichten hebben iets van de toon van Hoornik, een enkele keer zelfs die van Vasalis.

Als dichter is Marja nooit helemáál weggeweest. In bloemlezingen overleefde hij met het kwatrijn ‘Het huwelijk’ (‘Ik heb je alles gegeven:/ een gedicht, mijn maandsalaris/ en een kind; wil je nu even/ kijken of het eten klaar is?’) en met een aantal sonnetten, zoals ‘Een predikant’ (‘Hij leek een halfzacht ei, maar toen ze kwamen/ en hem met knuppels onder handen namen/ hield hij voor ‘t eerst èn tot het laatst zijn bek.’), ‘Een psychiater’ (‘De angst dat al die anderen ‘t begrijpen/ kan af en toe nog zijn testikels knijpen, maar laat hem los zodra hij spreekuur houdt.’) en vooral met ‘Moment sentimental’ (‘Mijn kleine moeder met je rode haar,/ eens werd je ginds in een zwart graf gelegd,/ een dominee heeft, galmend, aan de baar/ enkele verzen uit Gods woord gezegd.’) Ook het volgende gedicht over zijn vader, die predikant bij de Vrije Evangelische Gemeente was, werd verschillende keren in bloemlezingen opgenomen:

Ik zag mijn vader

Ik zag mijn vader dood toen ik al dertig jaar
geworden was, toch gaf het mij een harde schok:
wij waren altijd goede vrienden van elkaar,
maar toen hij daar zo lag en met zijn lippen trok

alsof hij snauwen ging – iets wat hij haast nooit deed
terwijl hij leefde – leek hij op een dode hond
die, voor hij stierf, nog grimmig in het leven beet,
vertwijfeld omdat hij daarna niets meer vond.

Hij had iets onvoltooids, doordat men zijn gebit
had weggenomen toen hij langzaam lag te stikken:
meer embryo dan hond, zo lag mijn vader dood.

Soms denk ik, als ik droom of vaag te staren zit,
dat ik moet schrijven hoe zijn aanblik mij deed schrikken,
maar dat gelukt maar half: ik geef mij niet graag bloot.

Peppelenbos en Ter Wal tonen met hun bloemlezing aan dat Marja veel meer potentiële klassiekers schreef. ‘Oprecht gebed’ bijvoorbeeld, over de leegheid van het geloof, of ‘Van de liefde’ (‘dat ik van de aarde/ wil blijven/ omdat de dood met mij/ bezig is.’) of ‘Wakende’, dat begint met de indringende strofe ‘Wie in een nacht vooruitloopt op het sterven,/ hij ligt te denken aan een vreemde grens:/ aan deze kant is men een levend mens,/ aan gene zijde vlees dat gaat bederven.’
Voorlopig kan Marja weer een generatie mee.

*******
A. Marja (Arend Theodoor Mooij, 1917- 1964) debuteerde al jong met Stalen op zicht (1937) en sloot zijn dichterschap af met Van de wieg tot het graf (1963). In totaal schreef hij zestien bundels, waaronder twee verzamelbundels.

Gelijktijdig verschenen bij dezelfde uitgever een heruitgave van Snippers op de rivier, Marja’s enige roman, en een zeer lezenswaardige A. Marja-special van het literaire tijdschrift Tzum (64 blz., € 6,50)

Interview met Willemien Mensinga

Van eerste tand tot kunstgebit

 

Willemien Mensinga (1955) schreef haar eerste gedicht in 2004. Na korte tijd al werd de poëzie van de Groningse opgemerkt. Ze werd diverse keren genomineerd en won verschillende prijzen, waaronder de Simon Michaël Coninckxsprijs van Sint-Truiden. Publicaties van haar zijn te vinden in onder andere Noachs Kat, Krakatau, Dighter en Lava. In 2006 gaf ze in eigen beheer een bundel uit, Vaste grond.

Het was tijdens een moeilijke periode dat Mensinga zich waagde aan het schrijven van poëzie. ‘Ik begon zomaar wat op papier te zetten. Ik had nog nooit een gedicht geschreven. Wel slagzinnen, waarmee ik vaak prijzen won, maar daar was ik allang mee opgehouden’, blikt de dichteres terug. ‘Het werd een gedicht op rijm, over een hond uitlaten in de regen. Ik durfde het amper op ‘t Schrijvertje te zetten. Het stelde niet echt veel voor.’ Naarmate ze meer gedichten publiceerde op deze Vlaamse site, kreeg ze steeds meer respons.

Haiku zonder regeltjes
In de begintijd waren de dichters Rutger Kopland, Paul van Ostaijen en J.W. Oerlemans min of meer haar voorbeelden. ‘Door Kopland te lezen, kreeg ik een idee hoe je zonder rijm poëzie kunt schrijven en hoe je gevoel in een gedicht kunt nestelen’, licht ze toe. ‘In het begin maakte ik lange zinnen, maar naar verloop van tijd ontwikkelde ik een eigen stijl: korte, eenvoudige gedichten zonder overtollige woorden. Zoals een haiku, maar dan zonder regeltjes. Misschien is dat wel een Groningse eigenschap, met zo weinig woorden proberen iets over te brengen’, overdenkt ze. ‘De schrijfstijl van Kopland spreekt me misschien daarom niet meer zo aan. Maar J.W. Oerlemans bewonder ik nog steeds. Hij weet in de laatste zin precies dat weer te geven, wat nodig om is om je aan het denken te zetten’

Soms maanden bezig

‘Een gedicht schrijven is trouwens niet zo gemakkelijk als het lijkt. Elk woord, elke zin moet goed zijn. Taalkundig moet het kloppen. En het moet iets met de lezer doen’, vervolgt de Groningse. ‘Ik ben soms maanden bezig om de zinnen en woorden op elkaar af te stemmen. Ik ben nogal kritisch en blijf schaven, woorden toevoegen en schrappen. Om het gedicht daarna te laten rusten en weer op te pakken. Net zolang totdat ik het goed vind.’ Soms bewerkt ze ook oude gedichten, omdat ze er bijvoorbeeld na een jaar niet meer tevreden over is. ‘Wat dat betreft is de computer een uitkomst. Wat je niet bevalt, kun je zo weer deleten. Omdat ik nogal schaaf en verander, is dat wel zo gemakkelijk. Ik schrijf ook nooit met een pen. Daar heb ik een hekel aan. Ik heb geen rituelen. Ik kruip achter de computer en begin.’

Van eerste tand tot kunstgebit
Haar inspiratie haalt ze overal en nergens vandaan. ‘Zonder inspiratie zou ik geen poëzie kunnen schrijven. Ik heb graag een houvast’, verzekert ze. ‘Een thema voor een wedstrijd kan soms helpen. Foto’s kunnen ook heel inspirerend werken. Zo heb ik gedichten gemaakt bij röntgenfoto’s van tanden en kiezen: ‘van de eerste tand tot kunstgebit’. Ze reizen van de ene tandartspraktijk in Groningen naar de andere.’

Reizen naar andere landen
Mensinga staat zo nu en dan op poëziepodia om haar gedichten voor te dragen. In het begin had ze last van plankenkoorts, die ze inmiddels grotendeels heeft overwonnen. ‘Door veel te oefenen ging het steeds beter en begon ik het voordragen ook leuker vinden. Maar het schrijven van poëzie blijft voor mij op de eerste plaats komen.’ Ze zou ook nog eens een bundel willen uitgeven in eigen beheer. In 2006 verscheen de eerste, Vaste grond, met poëzie over het Groninger land. ‘Misschien wel een bundel die over vogels gaat, want daar heb ik iets mee. Dat vrije in de lucht vind ik heerlijk om over te schrijven. Als ik vogels zie vliegen, komt altijd het verlangen boven om ook weg te kunnen gaan, te reizen naar andere landen. Dat gevoel heb ik eigenlijk mijn hele leven lang al, alleen ben ik altijd op dezelfde plek gebleven: Groningen.’

Proeven van andere culturen

En wat doet de dichteres als ze niet aan het dichten is? ‘Tuinieren! Ik ben bezig mijn oude kruidentuin nieuw leven in te blazen. Heerlijk is het om bezig te zijn met grond en groen. En er komen veel vogels in mijn tuin. Daarnaast lees ik graag literatuur en hou ik van koken en bakken. Het is heel leuk om met mensen van andere culturen gerechten klaar te maken. Zo proef ik van elk land een beetje.’