Pat Donnez

'Absurdisme krijg je met de moedermelk mee'

 

Pat Donnez is bekend als interviewer, radiomaker, schrijver en dichter. Hij debuteerde in 2007 met de dichtbundel Het is een mooi leven (zolang je niet bestaat). Zijn eerste kinderbundel Hotemetoten verscheen in 2008.

Om met de deur in huis te vallen: waarom schrijft u gedichten?
Altijd, altijd, altijd opnieuw moet je je als schrijver of dichter verantwoorden. Wat is dat toch? Ik heb mijn slager nog nooit gevraagd waarom hij slager is geworden. Weet niet hoe hij zou reageren trouwens, mocht ik het hem vragen. ‘Bert, zeg mij eens eerlijk, waarom verkoop jij varkenskoteletten?’ De kans is niet denkbeeldig dat hij zijn hakmes bovenhaalt.
En bovendien, denk ik, je wordt geen dichter, je bént het. Zoals je kijkt naar de dingen rondom jou, naar jezelf, naar de wereld. Met dichtersogen dus. Zijn dat andere ogen dan slagersogen? Niet noodzakelijk, nee. Ook een slager kan dichtersogen hebben. Maar een goede dichter gebruikt ze voortdurend en hij noteert ook nog eens wat hij ziet op zo’n manier dat je denkt: tja, zo had ik het nog niet bekeken.

Foto: Stephan Vanfleteren

Hoe zou u uw eigen stijl omschrijven?
Louis Paul Boon, de beste Nederlandse auteur van de twintigste eeuw – en nu we toch bezig zijn, van alle eeuwen daarvoor – zei dat hij geen apothekersflesje was. Hij wilde nergens bij horen, niet gelabeld worden. Ze noemden hem een miserabilist, een       socialist, een anarchist, een viezentist… Het maakte Boon geen zak uit. Ik ben verschrikkelijk op mijn hoede voor de apothekers die overal etiketten op willen kleven. Het enige wat ik hoop is dat mijn stijl heel erg herkenbaar mijn stijl is. Pat Donnez. Punt.

Wat is voor u het verschil tussen uw werk voor de radio en uw dichterschap?
Interessante vraag. Enkele lezers wijzen mij er op dat ik in mijn poëzie een spreektaligheid leg die ze van de radio herkennen. Terwijl sommige luisteraars mij dan weer waarderen omdat ik iets literairs in mijn radiopresentatie laat doorschemeren. Ze beïnvloeden elkaar, zeer zeker, en ik denk of ik hoop dat dit mijn werk – zowel literair als journalistiek – ten goede komt.

U schrijft gedichten in heldere taal, maar af en toe komt ook uw donkere kant naar boven. Hoe verhouden zich deze beide eigenschappen tot elkaar?
Misschien is dat nog het ergste, dat je je himmelhoch jauchzend zum Tode betrübt kunt voelen, en je daar heel helder bewust van kunt zijn. Je doet ook geen moeite om het te camoufleren of te sublimeren, nee de donkerte heeft je in haar macht en je laat je lezer zien hoe je daarmee moet leven of hoe je daar net niet mee kunt leven. Ik ben niet te beroerd om mijn zinnen te laten schrijnen, er mag ongeluk uit die zinnen spreken, jazeker. Ook ongeluk is een soort geluk. Het is een tegeltjeswijsheid die me op de been houdt.

Wat is volgens u de functie van humor in gedichten?
Om te beginnen: humor wordt in poëzie niet ernstig genomen. Sterker nog: het is not done, eigenlijk. Je wordt hooguit getolereerd als plezierdichter. Een soort Kees Stip-adept. Het Noorden heeft daar veel meer last van dat het Zuiden. Bij ons mag er al eens een grap passeren in een vers, heb ik het idee. Het is natuurlijk precair: voor hetzelfde geld heb je een mislukt cabaretier die zijn foute grappen op een ander publiek uitprobeert in de hoop dat zij er wel om kunnen lachen. Humor, om op je vraag te antwoorden, is voor mij overwonnen droefheid. 

In uw werk zit een bepaalde vorm van absurditeit die afwezig lijkt te zijn in het werk van Nederlandse dichters. Is dit een typisch Vlaams verschijnsel?
Dat hoor ik wel meer ja, vooral van lezers boven de rivieren. Ik was nog maar net in Driebergen bij Utrecht. ‘Je wéét gewoonweg dat jij uit Vlaanderen komt,’ zegt dan een aardige vrouw goedbedoeld. ‘Het klinkt zo…,’ begint ze, ‘absurd?’ vul ik haar aan. ‘Ja, ja,’ zegt zij dan weer, ‘je neemt me de woorden uit de mond.’ We moeten ermee leren leven, en natuurlijk zit er een grond van waarheid in. Onze schilders, Magritte en Delvaux voorop, hebben het ook. Alleen heet dat bij hen iets sjieker, magisch realisme of zo. Ook cabaretiers moeten het tot vervelens toe horen. Wim Helsen duikt onder tafel als hij het weer naar zijn hoofd krijgt geslingerd. België is natuurlijk een grap, een uit de hand gelopen grap weliswaar, maar toch. Het is hooguit een wankele constructie die nu al honderdtachtig jaar stand houdt. Je krijgt er het absurdisme met de moedermelk mee.

Bestaat er volgens u zoiets als Vlaamse en Nederlandse poëzie?
Deze vraag zou mij pakweg tien, vijftien jaar geleden uit mijn vel hebben doen springen. Hoezo, Vlaanderen, Nederland, we zijn al een zakdoek groot. Ook samen, waarom toch dat onderscheid? Ik weet nu dat ik toen dwaalde. Ja, er is een hemelsbreed verschil. Tussen Nederland en Vlaanderen en dus ook tussen onze poëzie. Het is een verrijking, moet je dan zeggen, en dat is ook wel waar voor wie beide soorten leest. Maar van die illusie ben ik genezen. Er staat een muur tussen ons beider naties, een muur van onwetendheid. We weten niets, niets, niets meer van elkaar. Hooguit de clichés. Hollanders maken lawaai, Vlamingen zijn bescheiden. Nederland neemt over, Vlaanderen wordt overgenomen. Nederlandse poëzie is breedsprakerig en talig, Vlaamse poëzie ingetogen en beeldend. Ach, er zijn genoeg voorbeelden om die clichés tegen te spreken, maar het klopt wel. En ook: als Vlaming raak je nauwelijks voorbij de grens. Probeer maar eens Vlaamse poëzie in een Nederlandse boekhandel te vinden. Een beetje De Coninck, ja, Elsschot natuurlijk en een verloren gelopen Nolens. Daar houdt het mee op. Onbegrijpelijk. Daar spreekt een dedain uit, een Hollands mépris voor Vlaanderen. Vlamingen zijn aardig, exotisch ook, we worden over het hoofdje geaaid, maar als het er op aan komt, tellen we niet mee. En nee, hier spreekt geen gefrustreerde jongen hoor, ik mag niet klagen, zit bij een sjieke, Nederlandse uitgeverij etc., maar de feiten zijn de feiten.

Wat verstaat u onder goede poëzie?
Er zijn gedichten die zo goed zijn dat ik ze, mocht ik minister-president zijn, verplicht zou willen laten voorlezen op de drukste straten en pleinen van het land. Wat ze zo goed maakt? De vorm, de kadans, het ritme, de woorden. Maar ook de vent: wat ze zeggen in zo weinig woorden. Neem de volgende dichtregel van Bas Rompa. ‘De onderste knoop/ van mijn winterjas hangt/ aan een draadje.’ Zo herkenbaar. Niet alleen die knoop, maar je hele leven gaat van dat draadje afhangen. Het gedicht heet ‘Hoop’ en eindigt met: ‘Zolang de knoop niet afvalt, blijft mijn vader leven.’ Dat is in enkele regels samengevat waar Tolstoj of een andere grote normaliter enkele duizenden pagina’s over doet. Wat een spanning. En de vragen waarmee zo’n zin je opzadelt. Wat is er met die vader aan de hand? Waarom is hij in gevaar? Gaat hij dood? Maakt die jongen zich wat wijs?

Hoe komt een gedicht bij u tot stand?
Je neemt een blad papier, een pen en je begint. Of beter, je hoopt dat het begint. Als je geluk hebt, gaan de woorden met jou aan de haal. Heel gek is dat. Hé, denk je, wat doet die pen nu toch? Het enige wat je dan te doen staat, is je hand volgen. Maar meestal gebeurt er niets en begin je tijdens het wachten op een inval of inspiratie zoals dat heet, in je neus te pulken, aan je knie te krabben, door het raam te staren…

Aan de bundel Het is een mooi leven (zolang je niet bestaat) heeft u jarenlang gewerkt. Toch maakt deze bundel een vrije ongekunstelde indruk. Hoe verklaart u dat?
Het is een mooi leven (zolang je niet bestaat) heeft me veel tijd en moeite gekost, dat klopt. Jaren slijpen en ook veel schrappen. Ik ben blij dat je dat vele werk niet leest, want dan zou het een slechte bundel zijn. Je kunt het vergelijken met hoe een goed acteur te werk gaat. Hij zal wroeten en zwoegen op zijn tekst tot hij hem helemaal eigen heeft gemaakt en het lijkt alsof hij hem ter plekke uit zijn mouw schudt. We hebben ze allemaal wel eens meegemaakt:, dat soort momenten dat het gebeurt en je als toeschouwer denkt: wauw, dit is fantastisch, hoe bedenkt hij het? Het lijkt werkelijk alsof de dingen hier en nu tot stand komen. Een vergelijkbare ervaring heb je als lezer als je middenin zo’n regel valt die lijkt te ontstaan op het ogenblik dat je hem leest.

Waarom heeft u daarna een bundel geschreven voor kinderen?
Eigenlijk was er eerst de kinderbundel, die lag al lang klaar. Maar mijn uitgever vond het veiliger om met een bundel voor volwassenen te debuteren. Je vermijdt het risico om de rest van je leven met het stigma ‘kinderboekenschrijver’ rond te lopen. Dat was de uitleg, ik verzin het niet. Om maar te zeggen: je hebt als debutant geen idee in welke gekke wereld je bent terechtgekomen. Gelukkig maar. Ik zou anders misschien wel ondergronds zjin gebleven. (lacht)

Wat is volgens u het verschil met poëzie voor volwassenen?
Gedichten schrijven is niet moeilijker dan bruggen bouwen voor een ingenieur dat is, denk ik. Of de Tour de France winnen als je Lance Amstrong heet. Ik bedoel, als je iets graag doet en met passie, wordt het bijna vanzelf gemakkelijk. De gedichten die ik voor volwassenen schrijf, rijmen niet, die voor kinderen vaak wel. Ik heb geen idee hoe dat komt, behalve dan: het mag af en toe rijmen, da’s lekker, de regels strak aan de leiband houden, dan voel ik mij een soort van bemoeizieke woordagent. Hotemetoten heeft trouwens niet toevallig als baseline: gedichten voor kinderen en andere grote mensen. Komma’s en punten, hoofdletters enzovoort kunnen de dichter helpen om zijn lezer het gedicht in een bepaalde zin te laten lezen. Maar soms is het gewoon spannender om het aan de lezer zelf over te laten en dan laat je de leestekens weg of je gebruikt ze slechts af en toe. Vrijheid, blijheid.

U bent momenteel te zien in theaters met muziek, verhalen en poëzie. Wat gebeurt er op het podium?
De toernee is geheel toevallig tot stand gekomen. Eigenlijk is het een uit de hand gelopen boekpresentatie. Ik wou mijn debuutbundel feestelijk presenteren en vroeg Chris Lomme (een monument in Vlaanderen) of ze mee wou doen, dat vond ze geweldig. Vervolgens vroeg ik een muzikant, de geniale Gerry De Mol, die al zat te repeteren nog voor ik het in de gaten had. Lore Dejonckheere is een jong meisje met een heerlijke stem, ook zij sprong op de kar. Begrijp me goed, voor één keer, dat was de bedoeling. Maar er zat een boekingsagent in de zaal die zei dat ik daarmee moest toeren, en bon, we zijn inmiddels aan onze vijftiende voorstelling toe. Na de eerste opvoering, in Hasselt was dat, wou ik alles lam leggen. Stoppen. Dacht dit werkt niet, we hebben geen band met het publiek, poëzie hoort op een nachtkastje thuis, niet op een podium. Maar na de voorstelling kwamen toeschouwers ons zeggen dat ze er echt van genoten hadden. ‘Waarom laat je dat niet merken?’ vroeg ik hen. ‘Ach,’ zeiden ze, ‘je zult dat nog wel zien. Vlamingen houden dat het liefst voor zichzelf.’ 

Wat mogen wij in de toekomst van u verwachten op poëziegebied?
Ik zit met een kinderbundel in mijn hoofd. Het titelgedicht is er al: ‘Opa sneeuwt’. Mijn oma is dement geworden. Maar omdat het gedicht op die manier te dicht op mijn huid zou gaan zitten heb ik van oma, opa gemaakt. Mijn tweede dichtbundel voor volwassenen komt er zo goed als zeker in 2010. Nooit stilzitten, zei mijn oma, daar val je maar van stil. 

 

Recensie van Droomvlees - L.F. Rosen

Heldere soep in een diep bord

L.F. Rosen
Droomvlees
Uitgever: Wagner & Van Santen ,Wagner & Van Santen ,Wagner & Van Santen
2008
ISBN 9789076569710
€ 15,95
60 blz.

L.F. Rosen is een dichter die het niet van flitsende beeldspraak of scherp geformuleerde statements moet hebben. Evenmin is hij een dichter die de lezer met vloeiende verzen en meeslepende ritmes op sleeptouw weet te nemen.
De poëzie van Rosen zou je kunnen omschrijven als een reeks beeldrijke gedachten die vertikaal over het blad zijn uitgezet en op een drafje naar een eindconclusie lopen.
Veel gedichten in Droomvlees, zijn vijfde bundel, geven de indruk niet echt gedichten te zijn maar gecomprimeerde flarden van een redenering. Woorden als ‘dus’, ‘want’, ‘echter’ duiken regelmatig op en verraden een betoog dat er in wezen niet is. Rosen strooit gedachten, schept beelden die in een wazig verband achterblijven.

Waar is het in Droomvlees precies om te doen? De bundel wekt de indruk rond één thema te zijn opgebouwd. In het eerste deel staat het (zieke) lichaam centraal. Het openingsgedicht begint met een aardige beschrijving van de longen, een orgaan dat ‘evenzeer geniet van de vrolijke tabak /als van de dodelijke zuurstof’ en vervolgens:

(…)
En zijn binnenwanden bekleedt
Met de huid van de wereld
Om ons vertrouwd te maken
Met het kelderstof
En de huidschilfers
Van onze naasten.

‘Longfuncties’

Maar het blijft niet bij het zieke lichaam, er is meer aan de hand. Verschillende gedichten behandelen het thema van het afscheid. Gaandeweg wordt het duidelijk dat de dichter worstelt met een afscheid. Van een geliefde? Een familielid? Een vriend? Dat wordt nergens expliciet gemaakt. In elk geval is het een afscheid van een aftakelend lichaam. Een afscheid dat zich definitief voltrekt in het titelgedicht met het afleggen van het lichaam, en waarvan de laatste strofe als volgt luidt:

(…)
Maar mijn handen zakken almaar dieper in je weg.
Het kost mij
Moeite om mijn vingers uit je los te trekken.
Tegelijk
Laat immers ook je vel los. Als een slordig, roze
Douchegordijn
Valt het van je schouders. Als zweterig water kleef ik
Er aan vast.

‘Droomvlees’ 

Het lichaam lijkt me in de eerste plaats een metafoor voor de vergankelijke werkelijkheid. Het is hetgeen waaraan we het meest gehecht zijn, maar wanneer we erin slagen om er afstand van te nemen ligt de weg open naar een hoger begrip van de werkelijkheid. Dan kunnen we zoals in het gedicht ‘Vragen aan het vlees’ eindigen met de eerste vraag:

(…)
Is niet elk lichaam
Een hemellichaam –
Heeft het niet zijn brandende
huid en zijn vloeibare kern
met de sterren gemeen ?

‘Vragen aan het vlees’

De bundel eindigt met een beklijvende beschrijving van mensen die op weg zijn naar een begrafenis. ‘Maar we begraven een ander’ besluit de dichter. Het vlees is droomvlees geworden.

Een aantal gedichten had wat mij betreft tot hun aforistische kern herleid kunnen worden, sommige gedichten willen teveel zichzelf bewijzen en worden daarom wat steriel, maar als het allemaal goed zit, schiet Rosen raak :

Als een roestige speer schiet
Een schreeuw uit zijn keel.
Wij leggen hem achter een scherm.

Gulzig geworden van onze aandacht
Dompelt hij ons onder in zijn zwijgen.

Als wij de dekens opslaan
Verschijnt een zenuwachtig,
Grijs vogeltje achter zijn ribben.

Dus rijden wij hem op grote wielen naar
Een plaats die wellicht meer toekomst biedt.

Waar hij weer de kleur
Van voedsel kan krijgen –
Van gewassen fruit en rood
Vlees. En waar heldere soep
Wacht in een diep bord

– een vogeltje
erin kunnen
verdrinken.

‘Beschutting’

‘Heldere soep in een diep bord’, ofwel: de hele kosmos in één zin, op die vierkante millimeter schittert de echte Rosen.

*****
 
L.F. Rosen (pseudoniem van Leo van der Waal, 1953) debuteerde met Adel een bundel die werd genomineerd voor de Cees Buddingh’-prijs in 1994.
Daarna volgden: Al het aardsch geluk (1995), Onhandig hart (1998), Brandhaarden (2000), Doorwaadbare plaatsen (2004) en Droomvlees (2008).

Recensie van Deze poelen, deze geest - Lloyd Haft

Dichten is geen dood maken

Lloyd Haft
Deze poelen, deze geest
Uitgever: Querido ,Querido ,Querido ,Querido ,Querido
2008
ISBN 9789021434568
€ 16,95
88 blz.

Lloyd Haft laat in Deze poelen, deze geest vijf gedichten titelloos (de ‘brieven’ aan Gerrit Kouwenaar en de evangelist Johannes), maar de overige 34 gedichten dragen dermate lange titels dat de inhoudsopgave liefst vijf bladzijden beslaat. Dat krijg je met titels als ‘Als ik thuis in Oegstgeest tegen de avond een merel hoor, denk ik opeens aan tweeënvijftig jaar geleden in een ander werelddeel, toen ik voor de laatste keer mijn inmiddels overleden biologische vader zag tijdens een wandeling waarbij wij een veldleeuwerik zagen’.
Het doet enigszins denken aan de hoofdstuktitels in negentiende-eeuwse historische avonturenromans, zoals in het bekende ‘Ferdinand Huyck’ (1840) van Jacob van Lennep. Daar heet het eerste hoofdstuk ‘Waarin, onder meer andere wetenswaardige zaken, het portret van den held dezer geschiedenis gevonden wordt’ en een van de latere ‘Waarin treurige en indrukwekkende toneelen voorkomen, gelijk men die somtijds in het dagelijksche leven, maar zeer dikwijls in romans en versierde geschiedenissen aantreft’. Het effect ervan is dat je je als lezer al vertrouwd voelt met de gebeurtenissen alvorens ze hebben plaatsgevonden, wat zorgt voor een merkwaardige combinatie van vertrouwelijkheid en distantie. Bij Haft is het niet anders, zij het dat bij hem het uiterlijke avontuur vervangen is door het innerlijke.

Het zwaartepunt van Hafts bundel bestaat uit de ‘Gelegenheidsverzen van de academische functionaris bij zijn ambtsnederlegging’, gepresenteerd in drie afdelingen, in totaal 21 gedichten. Aan het begin ervan schrijft hij: ‘In juli 2004 trad ik uit dienst bij de Leidse universiteit waar ik sinds vele jaren docent Chinese literatuur was geweest. Evenals mijn oud-Chinese voorgangers vond ik in deze levensverandering aanleiding om een aantal gevoelens in versvorm tot uitdrukking te brengen.’
Dit is het eerste gedicht:

‘Bij het leeghalen van een boekenkast zie ik dat de op de rug gedrukte titel van een gedichtenbundel door zoninval onleesbaar is geworden’

‘De rug is gevoelig,’
zei de dokter, achtentwintig
jaar geleden. Langer, vijfendertig
jaren geleden

zette ik dit boek
hier neer. Ik weet
welk het is. Maar hoe het heet
is niet meer te lezen.

Toch ben ik blij. Die dunne
baan die blijft
waarlangs de dagen kwamen
houdt bijeen

wat anders blad na blad
verviel, niet te verhalen.
‘Scripta manent’, geschreven dingen
blijven, schreven

onze voorouders. Wie
verstaat hen nog?
Woorden raken weg zonder
schade: wij immers leven

nog. Ik heb het zelf
gezegd: liever licht
dan woorden over licht.
Het boek staat. Geel

torent zijn rug die niet
als het jonge gras wuifde,
aldoor hier stond. Bleef,
niet heette.

In tegenstelling tot de uitdijende titels heeft Haft de vorm van zijn gedichten streng ingeperkt; ze zijn zonder uitzondering opgebouwd uit strofen van vier (de meeste) of drie korte regels die vaak maar twee of drie heffingen tellen.

Veel van wat voor zijn poëzie in deze bundel kenmerkend is komt in dit eerste gedicht al direct tot uiting: de tamelijk nuchtere, bedachtzame manier van benoemen en beschrijven die toch ook lyrisch en verbeeldingsrijk is, de nostalgische ondertoon, de persoonlijke, openhartige invalshoek die voor een heel directe communicatie met de lezer zorgt, de duidelijke neiging tot explicietheid daarbij, het discours van de dichter met zichzelf waaruit een sterke, zelfbewuste kwetsbaarheid blijkt, even ontwapenend als onthecht. Het zijn niet alleen kwaliteiten voor een dichter, maar ook voor een docent.

In ‘Bij het zien van aankomende eerstejaarsstudenten denk ik aan oud-vakgroepsvoorzitter Idema’ komt dat mooi samen. (W.L. Idema, hoogleraar Chinees aan Harvard University en schrijver van tal van sinologische studies en vertalingen waaronder Spiegel van de klassieke Chinese poëzie, was tot 1999 hoogleraar te Leiden).
Het gedicht begint anekdotisch met ‘Het is niet zo / dat wij ze altijd / hetzelfde vertelden, / die eerste morgen // van de Herfstmaand / als ze met drommen bejast / in de galmende zaal met hoge / ramen binnenschoven. // ‘, maar krijgt dan al snel een peinzende, filosofische lading die de bestaanservaring centraal stelt:

Wat we ze boden waren
woorden – álle vertellen
is doorvertellen’ – maar
wat we ze zwijgend toonden

was onszelf, elke herfst
een ander […]

Wij zouden ze hoeden,
bewaren voor de woorden
der dwaalleraren. Maar ‘wie
zal er waken over

de bewakers zelve?’
Wij citeerden het,
leerden het ze,
konden het niet beantwoorden.

[…]

Het moet een genot zijn geweest les te hebben gekregen van docenten die tot zoveel zelfreflectie in staat waren.

Het vergankelijkheidsbesef is een belangrijk motief in de bundel, vaak gecombineerd met een intense natuurervaring. Als de dichter bij vrienden in een klein lusthof verkeert, overpeinst hij: ‘Wat waren de uren / – die paar dagen – // van wat wij onze / ‘jeugd’ noemen, meer / dan de tocht van een geur / door een gaarde?’ Een humoristische, relativerende ondertoon zorgt ervoor dat de ervaring van de ‘grote’ gevoelens niet drukkend wordt. Als hij zichzelf in de eetzaal van een hotel in de ruit weerspiegeld ziet, constateert hij: "Ben ik dat? / ‘Oud mannetje’ / in de taal die ik van ze / heb moeten leren, // de hier om mij heen / voorbijgaanden. // ‘Mager’ zullen ze me // noemen, ‘bleek’ – // als ze me al // zien. Ik die mezelf / nu vaak tegenkom – / ‘gepensioneerde’, ‘se- // nior’.’ Haft refereert hier terloops aan het feit dat Nederlands niet zijn moedertaal is.

Een belangrijk motief is ook de religie. Haft was oorspronkelijk methodist, maar werd later anglicaan. In religieuze zin voelt hij zich aangetrokken tot de oosters-orthodoxe en katholieke vormen van het christendom. Als hij in zijn werkkamer een kruisbeeld van de muur haalt, schrijft hij: ‘Ik die alle dagen, / alle jaren u / trachtte te vatten – // geen van mijn verbanden, / hoe lang, ijl / gesponnen, dat past // om u. Kleiner / was altijd mijn niet / dan u was.’ Dezelfde overgave treffen we aan in:

‘Bij het leeghalen van een bureaula stuit ik onder een stapel oude studentenadministratie op een rozenkrans; weer vind ik het jammer dat het traditionele gebed hierbij eindigt met de naklinkende woorden ‘het uur van onze dood”

Wat mij door de vingers
glipte – alles
kralen. Hout,
parel, glas –

alle zien -, alle
tastbare, strelend
mijn toch nog warmere
huid langs.

Ik die hier stond
te tellen, te spellen:
u en u en
u – geen ander,

altijd die opening,
mijn lippen rond,
mijn adem die eindigt
altijd voorlopig op amen.

Na de drie afdelingen ‘Gelegenheidsverzen van de academische functionaris bij zijn ambtsnederlegging’ volgen vier gelegenheidsverzen onder de noemer ‘Schadelijke stoffen’, waarin hij het langs originele omwegen heeft over roken, asbest, kwik en rookgas. Het laatste krijgt de mooie religieus-filosofische ondertoon mee die voor veel van Hafts gedichten zo kenmerkend is:

‘Bij het horen van een duif op de schoorsteen driehoog boven het fornuis, denk ik: ik hoop maar dat die beesten niet straks de rookafvoer dichtmaken’

Toen ik jong was
– mijn dromen nog zo schaars
dat ik ze opschreef –
was dit groots geweest.

Een duif op mijn dak!
Boodschapper zeker des Geests
of Lichts of Hemels – geen
dom luid beest.

Nu: hier sta ik
in de keuken. Denk:
blijft bij alle koeren nog
het rookkanaal leeg?

Komt vanavond nog
mijn rook, mijn reukwerk
weg? Niet of u
een antwoord zult neer-

laten. Maar of er nog
een weg omhoog zal zijn –
door daken, door alle dichte
dromen heen.

De gedichten in ‘Achter Oud-Poelgeest’ staan in het teken van het motto bij het eerste gedicht uit deze cyclus: ‘en wat wij ervan zeiden werd / een deel van wat het is’. Het zijn regels uit ‘A postcard from the volcano’, het gedicht waarin Wallace Stevens (1879 – 1955) beschrijft dat met iemands dood niet alleen de persoon zelf verdwijnt, maar ook alles wat zijn specifieke manier van het bekijken en schouwen inhield; een latere generatie zal, hoewel dezelfde taal sprekend, nooit meer hetzelfde van de dingen kunnen aflezen: ‘… that with our bones / We left much more, left what still is / The look of things, left what we felt / At what we saw. […] We knew for long the mansion’s look / And what we said of it became / A part of what it is … ‘
Soms is er hier een wat pessimistische ondertoon. Haft ziet ‘de grote moede aarde’ dan als ‘die klomp kou, homp nood’, als ‘Eén kloot zwijgen / die wacht op een roep, // een op of af van ons. / Want van ons alleen / is het zeggen, / noemen, // waar willen hebben.’

In de twee open brieven aan Kouwenaar, die in zijn bundel Landschappen en andere gebeurtenissen (1974) schreef ‘Van alle maken is doodmaken / wel het volmaaktste’ verantwoordt Haft polemisch de instelling van waaruit hij werkt en schrijft. In de eerste brief lezen we (de ambigue aanhef is fraai): ‘Dichten is geen dood / maken. Scheppen is / dulden, tegen / de ochtendmist in // luisteren hoe de kern/ klopt.’ […] ‘Wou je tot stof terugbrengen, / terugroepen, wat nooit / van stof uitging?’ In het tweede vervolgt hij met ‘Niet wij maken het / woord stof. / Het stof dat onze botten // naar buiten brengen / spelt al, / vormt al haast ons.’
Alles in Haft tendeert dus naar de waarheid dat ‘nee’ wordt weersproken en ‘ja’ wordt gewezen. Het is een onvoorwaardelijke keuze voor de levende eenheid van geest en natuur, waarin geen plaats is voor een in wezen dor en somber materialisme. Wat geleefd wordt en als zodanig wordt aanvaard, bestaat.

Uit de speelse tai chi-verzen die hierop volgen spreekt een haast mystieke bestaanservaring, waarin de dichter zich even vast wil positioneren als vrij wil zijn. Als hij zijn houdingen oefent, verzucht hij: ‘Leer mij dan / mijn voeten voegen naar dit gras / tot ook ik wortel, / brandend in de zon nog / sta, even, mijn / paar keer nog niet val.’ Een vaste buigzaamheid, meer is hem niet gegeven, want de ultieme bevrijding zoals een opstijgende vogel die ervaart, kan niet geleerd worden: ‘Vogel dat doe ik je / nu niet na, mijn bot komt nog / niet los uit eerder. / Wij krijgen hier // geleraard alles: houdingen, / standen, vormen alle. / Behalve verlaten. / Niemand hier // die dat benoemen zal. Niemand die bij vaderen / kan afzien wat ook vaderen / niet konden, niet // hier nog deden.’

De bundel sluit af met drie brieven aan de evangelist Johannes. De gedichten cirkelen rond Johannes 13:23 en de ik-figuur erin is de discipel die geloven wil ‘Ooit zal het vlees weer / woord worden – waar / of bewaard om het even’. In het laatste gedicht is sprake van een merel die een dode tak in de bek meevoert en zo als het ware zelf zwijgend door de dood wordt meegevoerd:’Stil bevracht // brengt zij wat zij hier niet / af kan kreten, / houdt dat in de bek al // omgebogen dood / zwijgsel. Wat zwak / tegen de hemel kraste, // […] // laat haar niet meer af. / Zo moet zij mee en zal, / […] // waar de bek het laatst, wijdst openvalt.’

Het is precies het effect dat deze magistrale bundel bewerkstelligt: de lezer blijft voor de zanger die Haft is met open mond van bewondering achter. ‘Liever licht dan woorden over licht’ schreef Haft in het eerste gedicht. We zouden zijn woorden toch niet graag willen missen.

********
Lloyd Haft (1946), geboren Amerikaan maar al veertig jaar Nederlander, studeerde sociologie en linguïstiek aan de Harvard University in Massachusetts. In 1968 vestigde hij zich in Nederland en studeerde in Leiden Chinese taal- en letterkunde. In 1981 promoveerde hij op een proefschrift over de Chinese dichter Bian Zhilin.
In 1982 debuteerde Haft met de bundel Ikonen bij daglicht. Daarna verschenen: Brandende lisdodden (1984), Slakkehuis en andere korte gedichten (1985), Wijl wij dansen (1987), Atlantis (1993), bekroond met de Jan Campertprijs in 1994, Anthropos (1996), Ken u in mijn klacht (1998), De Psalmen in de bewerking van Lloyd Haft (2003) bekroond met de Ida Gerhardtprijs in 2004 en Formosa (2005). Zijn uit het Chinees vertaalde gedichten publiceerde hij in de bloemlezingen Tweesprong (1983) en Een onafzienbaar ogenblik (1990). Van de Amerikaanse dichter Hart Crane stelde hij een in het Nederlands vertaalde bloemlezing gedichten samen onder de titel Gefluisterd licht (1996).

Recensie van Zwarte gaten - Hans Verhagen

De poëzie van een hypomaan

Hans Verhagen
Zwarte gaten
Uitgever: Nijgh & Van Ditmar ,Nijgh & Van Ditmar ,Nijgh & Van Ditmar
2008
ISBN 9789038890609
€ 16,90
64 blz.

Soms word je bij een nieuwe bundel niet alleen verrast door de poëzie die erin staat:

‘Verhagen zet de wereld in lichterlaaie.’
(Maria Barnas in De Groene Amsterdammer)

‘Om deze toverachtige macht gaat het in de kunst.’
(Hans Sleutelaar)

‘Verhagen […] wiens imposante aanwezigheid je willoos meesleurt in zijn krankzinnige wereld.’
(Piet Gerbrandy in de Volkskrant)

‘IJzingwekkend volmaakt portret van de condition humaine in de vroeg-eenentwintigste eeuw.’
(Ilja Leonard Pfeijffer in NRC Handelsblad)

‘Net als Willem Kloos, Marsman en Lucebert (toe maar!) is de dichter Hans Verhagen bij leven al een legende.’
(Jaap Goedegebuure in Eindhovens Dagblad)

‘Als er gevaarlijke poëzie zou bestaan (bestaat die dan niet?), zou het die van Hans Verhagen zijn.’
(Bertram Mourits in de Poëziekrant)

Deze citaten staan achterop ‘Zwarte gaten’, de nieuwe bundel van Hans Verhagen. De cursief afgedrukte teksten zijn toevoegingen van mezelf.
Als een flaptekst nieuwsgierig moet maken doen deze teksten zeker hun werk: wie zou zulke poëzie, ‘die de wereld in lichterlaaie zet’ niet willen lezen? Natuurlijk zijn de woorden uit hun verband gerukt; ik weet niet welke ‘toverachtige macht in de kunst’ precies bedoeld wordt, maar, jeetje, dat moet toch na te voelen zijn! Wat een teleurstelling dan bij het lezen van het eerste gedicht:

‘Grenspost’

Flarden in visioen gedrenkte wolk reizen in cyclonen rond
Rothonden vermaken zich met zielen in hun kaken malen
Uit het holst van het moeras wellen ongenaakbare vocalen
Dat vervloekte ritme altijd van gerammel & geknor van lege magen

Bij de laatste grenspost (waar ze wisten dat ze onbestaanbaar waren)
staat de felbegeerde oud-gereformeerde Nazidame zich te schroeien
aan de roodroodgloeiende novembermist; pooiers op trompet,
zwijgend groepsportret van singer-songwriters op bloesems en frambozen,
pose met een supersonisch voetbalmeisje in een elfmans-opklapbed

Ze zeiden dat het eigenlijk m’n moeder was
Ze spraken voetstoots af dat ze m’n dochter was
Jullie namen alles aan wat stom en jong en grijs en krom was
O! de grote monitoren, de oren, de motoren, spoorlozen,
al die overrijpe snoevers en vooral die niet te missen
show van honger en vergelding voor de ramen
De vermissing lijkt vooral op de bevrijding uit een ander ongewisse

Vermakelijk, wat er allemaal gebeurt bij deze grenspost van de bundel, die meteen ook over die andere grenspost blijkt te gaan: de dood. Verhagen laat wel zien dat hij kan goochelen met woorden. Dáár kan het niet aan liggen. Aan flamboyante beelden van ontluistering in met name de tweede strofe geen gebrek. En hoeveel oren zijn er bijvoorbeeld niet verwerkt in die zin ‘O! de grote monitoren, de oren, de motoren, spoorlozen,’ (met alle bijkomende associaties: motoren, als mot-oren, oren waar de mot in zit)!
Vermakelijk, inderdaad, maar ik weet niet of dat nu ‘de toverachtige macht’ is waar het in de kunst om gaat. Ik mis iets. Het gedicht laat zich naar mijn gevoel ondanks alle roodroodgloeiende novembermist toch te klaar in één keer lezen: het is te plat, te expliciet. En in die laatste, concluderende zin is de boodschap dat het leven al net zo’n zwart gat kan zijn als de dood wel erg direct-eenduidig opgeschreven. Nee, voor ik de zoveelste veer in iemands achterste steek, moet er meer gebeuren. Ach, een grenspost is er om voorbij te gaan:

‘Storm’

Als hoofddeksels op windkracht 8, vergeten serieus te nemen,
zag ik alles wat ik tot op heden heb gedacht
& iedereen gehavend die ik liefhad
mij ontvliegen in de storm over de Oostenburgergracht

Ik die nog geen in de modder weggezakte bezemkast bezat
had knikkers en een kogelgat en poeders meegebracht
om ons overeind te houden zonder overlast
tijdens windkracht 9

Honderden der onzen raakten maximaal geminimaliseerd
door wat ontbrak – geen tuinen in de tuinsteden,
geen criminelen in de schurkenstraten,
allemaal ontslagen van de plicht te moeten delen

De instigator had zich ter voorkoming van stigmatisering
uit de constellatie teruggetrokken, voor het laatst gezien
in zwarte gaten, contemplerend substantiële decimering
De achterblijvers vlogen ons vooruit op windkracht 13

 

Bij zoveel verbaal geweld zou je haast vergeten waar het in de poëzie om gaat. Leuk natuurlijk: ‘maximaal geminimaliseerd’ en ‘schurkenstraten’, die aan schurkenstaten doen denken, maar toch: typisch een storm in een glas water, dit gedicht. De ironie gaat hier ten koste van de emotie, die de dichter heeft ‘vergeten’ serieus te nemen. Eigenlijk werkt het net als met aandelen: goeie poëzie wil toch eerst en vooreerst serieus genomen worden, anders krijgt ze het vertrouwen van de lezer niet en daalt haar waarde.
Doet deze poëzie dan toch iets gevaarlijks? Inderdaad, maar niet op de manier die Bertram Mourits bedoelt, vrees ik. Verhagen lijkt een beetje op Jim Carrey in de film ‘The Mask’, die van een ballonnetje een mitrailleur maakt. In de film blijkt die mitrailleur dan ook nog echt te kunnen schieten. Maar in dit gedicht ontbreekt helaas de lading die nodig is om het gevoel echt te raken.
Beter vind ik het volgende gedeelte uit ‘aards bestaan’:

Omdat we in de grote droogte dreigden te vergaan
klommen we van lager wal naar grote hoogten
waarvandaan we niets dan water zagen, en de vraag rees
wie of waar de waterdragers waren –
we droomden dat we rode neuzen oogstten
en ijskoud water distilleerden uit de oceaan
en ons bij het doodgaan wisten te bevrijden door de kraan
voorgoed te laten lopen

Soberder van opzet dan de eerder geciteerde gedichten, staat hier toch meer ‘wat er niet staat’, om het maar eens op z’n Nijhoffiaans te zeggen. Mooi, die kraan in de voorlaatste regel. Kan die niet ook worden gezien als een hijskraan om ons ego op te tillen? In de dood kunnen we ons niet langer groter voordoen dan we zijn… En daarmee roert deze tekst een belangrijk thema aan bij Verhagen, die de rebelse neiging maar zelden kan onderdrukken om snoevers en dikdoenerige na-apers te kijk te zetten. Ook in het volgende gedicht, waaraan misschien de titel van de bundel is ontleend (hoewel er meer zwarte gaten in de bundel voorkomen), komt dit thema aan bod:

‘Schoonheid’

Alleen bij heldere hemel
kun je de zwarte gaten onderscheiden,
met heel het naakte bestaan erin

Moet je dat belachelijke kapseizen eens zien,
het schreeuwen van de elementen op het scherm;
de schoonheid van de ridicule dromer
die zijn leven weggooit voor één hartveroverende melodie,
hardhorend bovendien

Wie rood ziet stelt zich tevens bloot aan blauw,
de sloper bouwt;
zij die heilig geloven in de tijd zullen spoedig sterven

Wie onbekommerd in de zwarte gaten stapt
zal zich een heldere hemel verwerven

Niet helemaal origineel, deze tekst waarin tegendelen elkaar zichtbaar maken. ‘De sloper bouwt’ is wel een leuke vondst, maar ik heb dat al eens ergens eerder gelezen (wie weet waar mag het zeggen). Verhagens’ boodschap is duidelijk: wie zich durft te laten zien zoals hij is komt goed terecht. Hij ageert dan ook tegen iedereen die deze boodschap negeert:

Niets liever willen kinderen dan stiekem liefdevol hebzuchtig
de steunzolen heel even aanraken
van de zwetsers die de tover uit de monitoren slopen
en vervangen door hun slaapverwekkend pretaanjagend na-apen

Lekkende gletsjers, de memmen staan op springen
Door een laatste reusachtige klauw boven water gestoten
is een hoek nog zichtbaar van een voetstuk
vol elkaar verdringende, in het trappenhuis uitglijende idioten

Stiekem heulend met de kinderen voel je als lezer die leedvermaak opwekkende laatste regel haast al aankomen. En en passant wordt ook nog even een stukje milieuproblematiek meegenomen! Ja, misschien heeft Ilja Leonard Pfeijffer toch gelijk wanneer hij zegt dat deze poëzie een portret geeft van de condition humaine in de vroeg-eenentwintigste eeuw. Of het een volmaakt portret is weet ik niet, maar Verhagen lijkt als een ware nar de draak te steken met een voor ons tijdsgewricht typisch soort hypocriet gedrag.
Maar is dat gedrag wel kenmerkend voor onze tijd? Mensen hebben zich immers altijd anders voorgedaan dan ze waren, en de machthebbers van vroeger waren niet minder hypocriet dan die van nu. Vroeger waren er koningen en keizers en als ik ene meneer Shakespeare mag geloven werden die belachelijk gemaakt door hun hofnarren. Nu zijn er bijna geen koningen meer met echte macht, maar het lijkt erop dat de rol van de narren nog lang niet is uitgespeeld. Verhagens’ gedichten kunnen mijns inziens heel goed als de monologen van een moderne nar worden opgevat, die zich niet richt tegen een koning, maar tegen de hypocrisie van een gevestigde orde, waarvan hij zelf tenslotte ook deel uitmaakt.

Narren, clowns, jokers, of hoe men ze ook wil noemen, hebben vaak iets triests. Iets dat verborgen blijft achter de schmink op hun gezicht en hun extravagante manier van doen. Ze zijn niet beter (af) dan wie ze plagerig een spiegel voorzetten, ze kunnen het misschien alleen beter verbergen: hun eenzaamheid, hun liefde… ‘Hij was maar een clown, en nu is hij dood’, ging het niet zo? De bekende Januskop komt in beeld; de clown die lacht van buiten en huilt van binnen. Ook bij Verhagen valt een binnenkant te ontdekken:

Die ochtend was zij doodgewoon van huis gegaan
in een metallieke limousine met een rozenkrans van schedels
en trompetten stekend uit edele delen, om ze te bedekken tevens;
en ’s avonds was zij nog niet thuis

Ik heb die nacht in onze gemeenschappelijke stilte rondgewaard
maar ditmaal bleef zij zwijgen
Ze was er wel, ze was zelfs overal
maar ik ben niet meer met haar aan de praat geraakt

Ik kon haar zelfs niet aan het lachen krijgen

Kenmerkend voor een clown, die laatste regel. En zonder nu gelijk te willen beweren dat liefdesverdriet bij Verhagen altijd de beste poëzie oplevert (ondanks die ‘gemeenschappelijke stilte’: een schitterende vondst!), vind ik dat Verhagen hier een opvallend serieuze toon aanslaat. Alsof hij zichzelf in dit gedicht (en enkele andere waarin sprake is van een ‘gestorven geliefde’) meer blootgeeft dan elders. De clowneske laatste regel is al haast een vlucht uit de ernst van het voorafgaande: ‘noodtrappen naar het morgenlicht’, zoals een andere dichter het noemde. Maar meestal lijkt het of Verhagen niet serieus genomen wíl worden… Of toch?

‘o happy maan!’

Lag ik uit de duisternis te koekeloeren in het licht
zag ik haar met franse lichtmatroosjes meegaan,
terwijl ze me passeerde noemde ze m’n naam en lachte
en zei zachtjes ‘Tot strakjes’

Korte opwaartse & voorstoots schokkende impulsen
namen namens haar bezit van mijn lichaam
Ik voelde hoe ik zwol in haar gedachten

Vandaar dat ik niet zomaar weg kon gaan
Ik had haar hervonden
en al moest ik in een kogelregen op haar wachten,
ik wilde haar een klinkend welkom thuis bereiden
Om te slapen was ik toch te opgewonden

Een hypomaan kan zich niet veroorloven lang stil te staan
O happy maan! Maar
thuis kwamen we geen van beiden

Is dit een zelfportret, dit gedicht, waarin de dichter een vrouw nodig lijkt te hebben om zichzelf te kunnen bevestigen? ‘Een hypomaan kan zich niet veroorloven lang stil te staan’. Nee, allicht niet, want dan slinkt alles wat ‘zwol in haar gedachten’ als een leeglopend ballonnetje tot zijn ware proporties terug en valt hij door de mand. ‘Thuis kwamen we geen van beiden’, zegt de dichter er nog fijntjes bij. Hoe moet dat ‘kwamen’ worden opgevat? Zijn de dichter en zijn geliefde letterlijk nooit thuisgekomen (wat ook nog zoiets kan betekenen dat de dichter nooit ‘bij zichzelf’ is gekomen, lees: nooit zichzelf is geworden) of gaat het om een seksuele connotatie? Ik denk vooral het laatste.
Verhagen is en blijft vermakelijk zoals een circusclown vermakelijk is, een hyper ‘hype’ gevoelige hypomaan, die als de Joker uit een vroegere Batmanfilm, zijn pistool trekkend liefst een kanon tevoorschijn haalt. Alles moet theatraal, moet klinkend en opgewonden zijn. En dat verdraagt zich niet zo best met dat thuis-zijn, die toestand van tevreden rust waarin iemand – helemaal zichzelf – niet langer hoeft te doen alsof, en naar geen hoogtepunt (meer) hoeft te streven. Men moet hem niet te langzaam lezen: deze goochelaar en hyperpipo, want hij lijkt wel bang voor stilstand, bang dat dan zijn trucjes niet meer werken en het uitkomt: zijn schromeloze overdrijving, het flinterdunne van zijn plotjes, en dat alles uiteindelijk enkel maar een storm in een glas water is; alle sapperdeflapteksten ten spijt.

Interview met Gerður Kristný

'Ik mis de broodjes gezond van Nederland'

De IJslandse schrijfster Gerður Kristný was vorig jaar te gast in onze rubriek Wereldpoëzie. Dit jaar werd ze uitgenodigd voor Poetry International in Rotterdam. Sander de Vaan sprak met haar over haar poëtische ervaringen onder zeeniveau.

Gerður, je was dit jaar te gast op Poetry International. Is dat goed bevallen?
Jazeker. Ik vond het fantastisch en was verbaasd hoe ambitieus men daar te werk gaat. Er waren niet alleen optredens in de avonduren, maar ook workshops en interviews overdag. Ik ben blij dat ik voor het festival was uitgenodigd want het heeft me veel inspiratie opgeleverd.

Wat vond je van het poëtische niveau van dit jaar?
Er traden enkele briljante dichters op, zoals William Cliff, Miriam Van hee en Remco Campert. Verder was ik ook onder de indruk van Richard Gray uit Australië. Niet alleen het werk van deze dichters was interessant, zij zelf waren dat ook. Ik werd bijvoorbeeld erg geroerd door wat Gray over zijn nogal bijzondere jeugd vertelde in een interview met de Nederlandse dichter Tsead Bruinja. En William Cliff maakte mij zo’n beetje met alles wat hij zei aan het lachen.

Stond het publiek open voor jouw ‘Noordse’ gedichten?

Die indruk heb ik wel ja. En als gevolg van mijn deelname aan het festival gaat de Indiase dichter Mangalesh Dabral, die ik in Rotterdam ontmoette, nu mijn gedichten van het Engels naar het Hindi vertalen. Stel je voor: IJslandse gedichten in het Hindi… Ik ben benieuwd wat daar uit komt en of er in het Hindi net zoveel woorden voor sneeuw zijn als in het IJslands.

Hoeveel zijn dat er in het IJslands?
Minstens negen: snjór, snær, mjöll, ís, freri, fönn, lausamjöll, slydda en nýsnævi. Sommige van deze woorden beschrijven de textuur van de sneeuw – bijvoorbeeld hoe nat zij is. Freri is het droogste type sneeuw en slydda is zonder meer het natste. Ligt er slydda op straat, dan kun je maar beter rubberen laarzen aantrekken.

Wat vond je van Nederland en de Nederlanders?
Ik vond het land prachtig en ik mis nu de broodjes gezond die je er overal kunt kopen. Naast Rotterdam heb ik ook Delft, Amsterdam en Groningen bezocht. In die laatste stad heb ik op de universiteit over mijn werk gepraat. Er heerste een betrekkelijk kalme sfeer in Nederland, behalve toen het Nederlands elftal tijdens het EK-voetbal van Italië won…

Dus je hebt ook in onze oranje harten kunnen kijken… Lijken wij eigenlijk op IJslanders?
Ja, best wel. Mijn schoonzus is met een Nederlander getrouwd. Hij komt heel normaal op mij over en ik hoop dat dat ook andersom zo is. Hij woont al een jaar of twintig op IJsland. IJslanders gaan graag voor een lang weekend naar Amsterdam en dat heeft natuurlijk ook met de vriendelijkheid van de Nederlanders te maken. Ik merkte dat de mensen in steden als Rotterdam en Groningen elkaar van top tot teen bekijken. Ze lijken heel nieuwsgierig naar de mensen die ze onderweg tegenkomen. Of misschien kijken ze alleen maar goed om te zien of het een bekende is, die ze eventueel moeten groeten. Op IJsland doen wij ook zo. We kijken niet door elkaar heen, zoals in de grote steden vaak het geval is.

De Russische dichter Boris Ryzji schreef enkele jaren geleden tijdens Poetry International een roerend gedicht voor zijn zoon. Voel jij ook een drang om aspecten van je bezoek aan Holland in gedichten te verwerken?
Reizen en ontmoetingen met mensen leveren vaak goede ideeën op. Met mijn verblijf in Nederland is dat nog niet gebeurd, maar dat gaat zeker nog komen. Ik zal geduld moeten oefenen, iets waar ik overigens bitter slecht in ben…

Vlak voor je komst naar Nederland was er een zware aardbeving op IJsland. Hoe heb je die ervaren?

Het was inderdaad een flinke beving, 6 of 7 op de Schaal van Richter. Het gebeurde ’s middags. Mijn flat begon te bewegen en ik rende met mijn toen vijf maanden oude baby naar de deur van de slaapkamer, waar ik onder de deurpost bleef wachten tot het beven stopte. Men zegt namelijk dat je bij een beving onder een deurpost moet gaan staan. Deze beving duurde vrij lang, omdat het er in feite twee waren, achter elkaar. Ik was minutenlang doodsbang. Daarna heb ik de radio aangezet en hoorde ik dat we de buitenlandse inwoners van IJsland moesten gaan uitleggen wat er gebeurd was. Niet iedereen maakt immers regelmatig een aardbeving mee. En dus rende ik naar de tuin van de buurman, waar twee Polen aan het werk waren. Ik vertelde hen dat het een zware beving was geweest, dat we voorlopig maar beter niet konden gaan bellen, enzovoorts. Opeens besefte ik dat de mannen stonden te wachten totdat ik klaar was met mijn verhaal en dat ik eigenlijk alleen maar mijzelf gerust probeerde te stellen. Er was helemaal niks aan de hand met hen en ze wilden gewoon doorgaan met hun werk. De Polen hebben zoveel moeilijke tijden gekend dat ze hun dag niet laten verpesten door een aardbeving.

Interessant, dat de nationale radio meteen aan het ‘lot’ van de buitenlanders dacht. Is dat iets typisch voor IJsland?

Ik wou dat dat waar was. Er zijn veel buitenlanders op IJsland komen wonen en we kunnen ze maar beter goed behandelen.

Opeens bevindt IJsland zich midden in een enorme financiële crisis. Hoe ervaar je deze nieuwe situatie?
De buitenlandse media schilderen de situatie op IJsland veel negatiever af dan zij in feite is. Natuurlijk, we maken een hele moeilijke periode door, maar de reactie van de Britse regering, van wie wij meenden dat ze onze vrienden waren, heeft ons zeer teleurgesteld. Toen ze nog dachten dat we geld hadden, waren ze steevast ontzettend vriendelijk, maar dat is nu blijkbaar verleden tijd. Ik hoop dat de beurskoersen voor goede poëzie zullen blijven stijgen. Vergeet niet dat kunst in crisistijden vaak opbloeit, dus over vijftig jaar kunnen we hier nog eens op terugkomen!

Wat kunnen we de komende tijd nog van je verwachten op literair gebied?
Ik leg momenteel de laatste hand aan een griezelverhaal voor kinderen van negen tot veertien jaar. Het heet ‘De tuin’ en het is de bedoeling dat het zowel spannend als eng wordt. In de herfst ga ik naar Stockholm en daarna voor een tijdje naar Kopenhagen, waar ik aan een nieuwe gedichtenbundel ga werken. Ik wil er wat research doen en allerlei ideeën opschrijven. Een verhaal uit de Noordse mythologie zal een belangrijke rol spelen. Een verhaal over liefde, geweld én een paard.