Interview met Zuid-Afrikaanse Marlise Joubert

Dit is een hartseerland met een groot potentieel

 

De Zuid-Afrikaanse schrijfster Marlise Joubert publiceerde tot dusver een half dozijn dichtbundels en drie romans, waarvan er een (Rode Granaat) ook in het Nederlands verscheen. Sander de Vaan had een mailgesprek met haar over schrijven, schilderen, en de toekomst van haar vaderland en de Afrikaanse ‘digtkunst’.

Marlise, u werd opgenomen in Gerrit Komrij’s bloemlezing Die Afrikaanse poësie in ‘n duisend en enkele gedigte. Waar ‘staat’ u in de Zuid-Afrikaanse poëzie?
Dat is een moeilijke vraag omdat die mij doet denken aan iemand die graag een wedstrijd wil winnen. Maar als je bedoelt of ik een wezenlijke bijdrage aan de Afrikaanse poëzie heb geleverd: ja, ik hoop van wel, maar niet omdat Komrij mij in zijn bloemlezing heeft opgenomen. Hij heeft geprobeerd zoveel mogelijk Afrikaanse dichters op te nemen en is daarin geslaagd. Eerlijk gezegd is het trouwens niet aan mij om aan te geven waar ik sta. Dat laat ik liever over aan de literatoren.
Ik ben wel een gevestigde schrijfster die door de jaren heen een constante bijdrage aan onze literatuur heeft gegeven met poëzie en prozawerk. Ik concentreer mij vooral op persoonlijke, intieme dingen die vrouwen aanspreken. Qua dichtkunst heb ik een lyrische, beeldende stijl in mineurtoon. Daarin verschil ik misschien van veel andere vrouwelijke dichters. Een vergelijkbare stem uit het Nederlandse taalgebied is wellicht Miriam van Hee.
In de loop der tijd heb ik – gelukkig – een enthousiast en loyaal lezerspubliek kunnen opbouwen. Met mijn nieuwste, zesde dichtbundel, passies en passasies tracht ik de thematische én stilistische reikwijdte van mijn dichtkunst te vergroten. Vooral omdat ik mij in deze bundel tegen het doek van de recente en historische wereldpoëzie projecteer, met onder meer verzen over geweld tegen vrouwen in ons land.

Met uw man organiseert u het jaarlijkse Poëziefestival in Stellenbosch voor Afrikaanse dichters. Hoe gaat het momenteel met de ‘digtkunst’?
Onze poëzie heeft een ongelooflijke vooruitgang geboekt, hoewel er momenteel betrekkelijk weinig dichtbundels verschijnen. De Afrikaanse dichtkunst heeft een constante, hoge kwaliteit, maar door economische problemen bij sommige uitgevers is het aantal publicaties afgenomen. Hierdoor is de poëzie in de media verder gemarginaliseerd. Maar het feit dat veel Afrikaanse dichters voor Poetry International worden uitgenodigd (ik en mijn man Louis Esterhuizen helaas nog niet!), bewijst dat wij overzee toch hoog aangeslagen worden. Positief is ook dat er meer en meer vertalingen in het Engels verschijnen. Wij op onze beurt proberen de Afrikaanse dichtkunst onder de aandacht te brengen met het poëziefeest Versindaba, dat in september voor de vierde keer zal plaatsvinden.

Al met al dus genoeg reden voor optimisme?
Jazeker. Het doel van Versindaba is tweeledig: enerzijds willen we dichters en hun werk onder de aandacht van het publiek brengen, anderzijds focussen wij ons op nieuw werk van aankomende en gevestigde dichters, zodat de media niet om ons heen kunnen. Dit heeft tot hogere verkoopcijfers geleid, waardoor er weer wat meer bundels gepubliceerd kunnen worden, ook door uitgevers die vroeger nooit poëzie uitgaven. We willen met ons poëziefeest een etalage vormen voor onze rijkgeschakeerde dichtkunst en daarin zijn we volgens mij geslaagd.

Hoe ziet u de toekomst van de Afrikaanse taal?
Het Afrikaans is voor een grote groep mensen nog altijd hét communicatiemiddel en zolang mensen de taal blijven spreken, lezen en schrijven, zal deze mooie taal niet uitsterven. Er zijn verschillende, prachtige dialecten van het Afrikaans en het voortbestaan van onze taal hangt ook niet van ons dichters af! De gekleurde dichter Adam Small heeft dit mooi verwoord in een gedicht:

nie hy nie,
ma djulle is die poets,
djulle wat innie straat loep
ennie gladde bek verkoep.
 

Het is zeer verheugend dat ook steeds meer gekleurde dichters in het Afrikaans publiceren. Traditioneel Engelstalige uitgevers als Random House en Penguin zijn de afgelopen jaren eveneens boeken in het Afrikaans gaan uitgeven. Dit alles stemt mij zeer positief en sterkt mij in de overtuiging dat de taal hoegenaamd niet bedreigd wordt, ook al wordt daar in de media zo nu en dan flink over gediscussieerd. Natuurlijk, Afrikaans was vroeger een instrument voor uitsluiting en exclusiviteit, maar dat imago behoort tot het verleden. Nu is het een gedepolitiseerde taal die door iedereen die dat wil gesproken kan worden en ook een echte moedertaal kan zijn.

Waar ligt voor u de charme van poëzie?
Poëzie is voor mij een manier om mijn belevingswereld gestalte te geven, om dingen die ik ervaar of die mij aangrijpen in beeldende taal te verwerken. Het is voor mij een vorm van zelfrealisering, net als de schilderkunst. In beide kunstvormen kan ik uiting geven aan mijn ideeën, ervaringen en belevenissen, en dingen vastleggen uit mijn omgeving of innerlijke wereld. De charme van poëzie ligt voor mij in het feit dat je met woorden een sprong kunt maken van eigen belevenissen naar een associatieve betekenis voor de lezer. Het volmaakte gedicht of schilderij is natuurlijk niet te realiseren en dat is de reden dat je altijd dóórgaat, altijd nieuwe dingen wilt scheppen. Ja, eigenlijk is dat de ware charme: dat wij altijd op reis zijn, dat het ene moment onmiddellijk gevolgd wordt door het andere, dat een bepaalde verwoording de volgende oproept. Niks is nooit helemaal af, het blijft vloeibaar.

Hoe verloopt die zelfrealisering? Kunt u bijvoorbeeld ‘s morgens gedichten schrijven en ‘s middags een schilderij maken?
Iedere kunstenaar heeft zo zijn eigen routine en ritme. Ik moet steeds aan beide vormen van creativiteit uiting geven, maar kan dit niet tegelijkertijd doen. Dat heeft vast met de linker- en rechterhelft van het brein te maken. Ik schilder graag ‘s ochtends, dan heb ik meer energie. ‘s Middags rust ik gewoonlijk uit en ‘s avonds wijd ik mij aan schrijven. Ik heb altijd geschilderd en keramiek gemaakt, maar pas sinds mijn pensioen, anderhalf jaar geleden, ben ik er iedere dag mee bezig. Zozeer, dat ik meerdere maanden geen enkel vers geschreven heb. Ik dacht zelfs dat dichten een afgesloten hoofdstuk voor mij was, maar de laatste tijd voel ik toch weer een dwingende, vaak onverklaarbare behoefte om te schrijven.

Is schilderen voor u ook een manier om die dingen te verbeelden waar woorden tekortschieten?
Ik denk dat geen enkele kunstvorm aan álle aspecten van het menszijn uiting kan geven. We hebben niet alleen het geschreven woord nodig, maar ook visuele dingen en muziek – we willen ook horen! Een gedicht kan een plaatje of beeld scheppen, maar iedere lezer zal dit weer op een andere manier interpreteren, totaal onafhankelijk van wat jou als ‘schepper’ voor ogen stond.
Met visuele kunst ligt het anders. De kijker zal zien wat jij geschapen hebt en de keuze is aan hem of haar om daar wat mee te doen of weg te lopen. Woorden resoneren echter in de gedachtewereld van de lezer, zelfs lang na lezing. Kijken is meer een onmiddellijke beleving, je bent er nooit klaar mee, moet steeds opnieuw kijken, alsof je het anders vergeet.

Welke dichter(s) hebben u begeleid op uw ‘reis’?
In de jaren zestig, toen ik zelf nog niet publiceerde, las ik graag werk van N.P. van Wyk Louw, Breyten Breytenbach, Ingrid Jonker en G.A. Watermeyer. En ook dichters als Pablo Neruda en Sylvia Plath.
In 1962 verscheen er een vertaling die mij erg geïnspireerd heeft, Éluard en die surrealisme, door Uys Krige.
Vandaag de dag zijn Breytenbach en Antjie Krog nog altijd mijn favoriete Afrikaanse dichters. Maar ik lees ook graag H.J. Pieterse en Wilma Stockenström. Wat het buitenland betreft, geniet ik onder meer van de verzen van Yehuda Amichai, Paul Célan, Wislawa Szymborska, en Octavio Paz.
Toen ik in 1974 een half jaar in Utrecht verbleef, las ik veel van Lucebert, dat werk sprak mij heel erg aan. Er zijn sowieso veel goede dichters in het Nederlandse taalgebied, zoals Rutger Kopland en Herman de Coninck. Dankzij de Poëziekrant kan ik goed op de hoogte blijven van jullie literatuur.

Ik was onder de indruk van een gedicht van de onlangs overleden Elisabeth Eybers, waarin zij het heeft over het kleine maantje ‘bo die horison van my duimnael’, dat onbezoedeld en steeds zichtbaar is – en niet zoals in Nederland vaak achter de wolken schuilt. Wat vindt u van haar poëzie?
Eybers is een van onze grootste vrouwelijke dichters. Ik heb veel respect voor haar werk en ben haar dankbaar dat ze ondanks haar lange verblijf in Nederland in het Afrikaans is blijven dichten. Haar poëzie is ongelooflijk ‘af’, er staat geen woord te veel of te weinig. Bovendien hebben haar teksten een verbazingwekkende diepgang. Haar meest aangrijpende verzen vind ik die waarin de afstand tot en de band met haar vaderland tegelijkertijd naar voren komen.

We lezen hier in Europa vooral negatieve verhalen over uw vaderland, met name wat betreft de toegenomen criminaliteit. Hoe ziet u de toekomst van uw land?
Ja, misdaad is het grootste en meest hartverscheurende probleem van ons land. Het raakt alle inwoners, ook ons schrijvers. Misdaad heeft verstrekkende gevolgen op economisch, politiek, maatschappelijk en psychisch gebied. Het houdt onder meer verband met werkeloosheid, etnische haat, slecht onderwijs, incompetentie van onze politie, de kloof tussen arm en rijk, corruptie en de komst van illegalen uit buurlanden.
Natuurlijk heeft de regering de grondwettelijke verantwoordelijkheid om haar burgers te beschermen, maar de situatie is geheel uit de hand gelopen en vereist dat wij allemaal actief meehelpen om dingen te verbeteren. Want waar moet het met ons land heen? Niet iedereen kan zomaar emigreren en een nieuw bestaan opbouwen in een ander land, zeker de oudere generatie niet. Bovendien willen veel mensen niet weg; zij houden van hun land en hun medeburgers.
Mijn dochter woont echter al ruim zeven jaar overzee. Ik mis haar heel erg, maar ik denk ook vaak: blijf daar, bouw daar aan je toekomst. Dan maak ik me namelijk geen zorgen over haar. Als zij hier zou wonen, zou ik voortdurend ongerust zijn. Mijn zoon woont in Johannesburg, zijn vrouw verwacht haar eerste kind en ik maak me nu al zorgen over de toekomst van mijn kleinkind!
Dit is een ‘hartzeerland’, een gebroken land, maar ook een heel mooi land, met een enorm economisch en cultureel potentieel. Je moet hier erg op je hoede zijn. Zelfs als je in een geheel beveiligd huis woont, kan er altijd iets gebeuren. Die vrees heeft ons allen in de greep. Mensen worden ook cynischer. Ze vragen zich niet meer af of ze het slachtoffer van een geweldsmisdaad worden, maar wanneer…
We hebben dus last van ‘groeipijnen’, maar ik wil graag geloven dat het in de toekomst beter zal worden. Veel mensen zijn momenteel actief om anderen bewust te maken van de problemen en ondernemen zelf ook daadwerkelijk stappen om het land veiliger te maken. Maar wanneer dit laatste zal lukken, durf ik echter niet te zeggen.

Zie ook: ateljee.co.za

Gedichten

door Peter J.R. Vermaat (1963)

Stroomlijn

Er waadt een vrouw in de rivier,
door water waar ze ieder woord verstaan
en drinken kan, de taal van uiterwaarden,
traag van de oever glijdend, op de
smalle handen wegend. Wat te zwaar
lijkt, glijdt haar door de vingers.

Ze streelt de kleine golfslagen, haar
voeten vinden de oeroude beddingen
als vroeger, voorvaders in armen
en krommingen, een ver familielid
met naam noch toenaam in het achterland.

Sporen van meer of minder, deel
en veelvoud nemen op haar tong
de vorm van voorgeslacht met nakroost aan:
de uitgesproken daden van voltooiing.

Oorlogsverklaring, heesheid en twijfel
vallen als windhoos uit de grauwe lucht
en slaan adem en water in elkaar.

Vijfduizend tinten grijs volgen haar stem
tussen zandbanken door naar zee. Het schemert.

Ze kust zich op de mond en zingt.
 

Krijt

Door avondmensen voortgestuwd in stegen
sta ik opeens bij Christus in het krijt
zoals hij ons door Dürer werd gegeven.

Uit zijn gezicht ligt kleingeld op de tegels
van haastige passanten met het hart
balkonhoog op de tong, het vocht
tussen de dijen, geestrijk op de lippen.

Ik volg zijn ogen langs de fiere treden
die leiden naar de plaats waar nu zijn woord
de drieëenheid van wierook, goud en mirre
ondergaat, zich zonder handen vindt.

De priesters van de liefde maken de fontein
van levend water tot een bron van leedvermaak.
De onvolwassen meisjes slaan ze aan de haak.
 

Hotel

Drie trappen op. De lift is neergestort.
Marmer rondom weerkaatst het zwoegen
van kaal gelopen voeten uit de straat.

De eetzaal, zoals elke dag bevolkt
door dode britse dichters en hun hertoginnen,
levend van dividend op rentevoet,
twee eeuwen roest op hun vermogen vastgezet.

Of ik Lord ** ken, slist uit de hoek
de Ahasveros met de overbeet, een rijtuig
overreed hem onweerlegbaar voor
het bankgebouw waar hij werd uitgeworpen.

Het donker in, denkend aan blijven dolen,
zoals het water de fonteinen uitgespuwd,
waar alle licht weer uit de vingers glipt.
 

Gedichten

door Marlise Joubert (1945)

perde

perde is konings van heuvels
en hawer van duine en torings van vuur
perde is konings met mantels van blou
oker amandel skimmel soos grou
swarter as oonde witter as talk
maanhaar verstroom in vleie van wind

perde is konings met keile en hoewe
wat ratel oor berge riviere en rif
savannas en kranse en skeure met drif
o konings van klip met hoewe in vaandels
wat klop ametis ametis
hoewe in steensimbaal
dolomiet dolomiet

robyn is die kykers van perde
robyn soos die sterre teen skemer
waar die stofwolk draai waar die sand
in kringe soos poeier verdwyn

bruin is die oë van perde
bruin soos die maas op modder
waar die son waterpansag
in die somer kom lê

perde is konings wat proes en galop
oor pleine en plato’s van mense
perde dra vragte van kinders en ridders
of oues van dae soos ‘n hut op die rug
perde runnik alleen en verruk in ritmiese bome

perde is visse in waterwoestyne
swiepend van links en na regs
en terug in die lug asof gode
hul koppe in nette wil vang
met hoewe in vaandels
wat klop ametis ametis
hoewe in steensimbaal
dolomiet dolomiet

perde is prinse wat die melkweg kantel
die oggend se as die stadige pas
perde is prinse en draf aan die hand
met spelende spiere wat dans deur die land
en klop ametis ametis

perde is vrouwe wat geheime in paaie ontdek
vroue met flanke wat glim in die sweet van die dag
kampeer tussen mane en sneeu tussen wasem en gras
wat kom lê in ‘n stal soos ‘n ster in ons pas

perde is konings en prinse en visse en vroue
perde is meer as salpeter van asem

*

paarden

paarden zijn koningen van heuvels
en haver van duinen en torens van vuur
paarden zijn koningen met mantels van blauw
oker amandel schimmel zo grauw
zwarter dan ovens witter dan talk
manehaar stroomt in valleien van wind

paarden zijn koningen met manehoeden
en hoeven klopklop over bergen en rif
savannes en kammen en scheuren vol drift
o koningen van rotsen met hoeven in vaandels
klikklakkend voort amethist amethist
hoeven als steencymbaal
dolomiet dolomiet

robijn zijn de kijkers van paarden
robijn als de sterren tegen de schemer
waar de stofwolk draait waar het zand
in kringen als poeder verdwijnt

bruin zijn de ogen van paarden
bruin als de poelen op modder
waar de zon waterplaszacht
in de zomer komt liggen

paarden zijn koningen proestend dravend
over vlaktes en pleinen van mensen
paarden dragen ridders en kinderen
of ouden van dagen als een hut op de rug
paarden hinniken alleen en verrukt op ritmische bodems

paarden zijn vissen in waterwoestijnen
zwiepend van links naar rechts
en terug in de lucht alsof goden
hun hoofden in netten willen vangen
met hoeven in vaandels
klikklakkend voort amethist amethist
hoeven in steencymbaal
dolomiet dolomiet

paarden zijn prinsen de melkweg kantelend
de as van de ochtend de stadige pas
paarden zijn prinsen in draf aan de hand
met spelende spieren dansen zij door het land
klikklakkend voort amethist amethist

paarden zijn vrouwen die paden ontdekken
vrouwen met flanken glimmend van zweet
kamperend tussen manen en sneeuw tussen wasem en gras
die komen liggen in een stal zoals een ster in ons past

paarden zijn koningen prinsen en vissen en vrouwen
paarden zijn meer dan salpeter van adem
 

straatkind

kind
die wêreld ontgaan jou
in al sy onderdele
al swel jou oë soos twee mane
terwyl jy reis deur stede
soms in stegies oornag
langs die brug van vrede
in die sloot van karton
in die laan van die dood

kind
die wêreld kampong jou in
want jy lees nooit koerante nie
luister nie na die nuus nie
jy weet weinig van môre se weer
en niks van hofsake nie
niks van korrupte amptenare
nog minder van onluste
kapings of moord

kind
die wêreld ontgaan jou waar jy opstaan
maar nêrens anders word vingers
gespan met die klag van straatkitare
verwond soos joune nie

*

straatkind

kind
de wereld ontgaat je
in al zijn onderdelen
al zwellen je ogen als twee manen
terwijl je door steden reist
soms in steegjes overnacht
langs de brug van vrede
in de sloot van karton
in de laan van de dood

kind
de wereld sluit je buiten
want je leest nooit kranten
luistert niet naar het nieuws
je weet weinig van het weer van morgen
en niets van hofzaken
niets van corrupte ambtenaren
nog minder van onlusten
kapingen of moord

kind
de wereld ontgaat je waar je opstaat
maar nergens anders worden vingers
zo gespannen met de klacht van straatgitaren
of verwond als de jouwe
 

Eva

daar is die vrou –
ek sien haar stap
gruispad langs versigtig met haar tagtigste jaar
sy val en breek haar been
sit daagliks tussen hulle wat vergeet
hulle wat die siekeboeg verfraai met lappiesdraai
met herhalende prewelings
wat vergeefs tromslaan teen ‘n gipsgeheue

sy lees haar biografieë
die een oor Picasso en Lawrence en Callas
sy wag geduldig op eenkant etes
welwillende hande wat haar saans
van bad na bed toe rol

daar is die vrou wat die pad byster raak
haar identiteit en haar beursie verloor
haar man in haar verbeelding ontman
daar is die vrou wat met dronkverdriet haar grense
verskuif haar man verkul ‘n opmars deur wyn en seks begin
die vrou wat haar hand op die stoof verbrand
en die een wat haar vinger sny met ‘n groentemes
die een wat boetes kry vir woedende spoed
die een wat tronksit oor diefstal
haar trouring in ‘n brander verloor
haar kind in die maling van ‘n somerstad
vir altyd verloor

daar is die vrou wie se vorige lover haar enigste kind vermoor
en sy drie jaar later met borste wat steeds drup
die kind desperaat terug na die lewe wil voed

hoeveel vroue is daar wat was en wag
en weer was en wag asof dit al is wat droogtes pas
of geweld kan nekomdraai
hoeveel vroue spoel uit
in lakens van vergetelheid sterf vermink
in stralende bloed sterf in goiings van verdowing
in ‘n graf uiteindelik glasiggeel
in ‘n uitgesuigde korf van beendere

hoeveel vroue sterf onder versmorende mantels van die nag
en hoeveel van hulle is ek en nie ek nie

hoeveel van hulle versamel onstigtelik
smekend of skreeuend buite my huis
my omsingelde huis
tussen skulpture van wankelende bome
tussen mure van glas –

my enigste verweer teen die al hoe
dunner hekke van die tyd
*
Eva

daar is de vrouw-
ik zie haar langs
het puinpad aan,
voorzichtig, ze is tachtig
ze valt en breekt haar been
zit dagelijks tussen hen die vergeten
hen die de ziekenboeg verfraaien met frutselwerk
met herhalende prevelingen
die vergeefs trommelen tegen een gipsgeheugen

zij leest haar biografieën
die over Picasso en Lawrence en Callas
ze wacht geduldig op het eenzaam eten
welwillende handen die haar ‘s avonds
van bad naar bed rollen

daar is de vrouw die de weg kwijt raakt
haar identiteit en haar beursje verliest
haar man in haar verbeelding ontmant
daar is de vrouw die dronken van verdriet haar grenzen
verschuift haar man bedriegt ‘n opmars door wijn en sex begint
de vrouw die haar hand aan het fornuis brandt
die haar vingers snijdt met een groentenmes
die boetes krijgt voor woeste spoed
die gevangen zit voor diefstal
haar trouwring in de branding verliest
haar kind in de maalstroom van een zomerstad
voor altijd verliest

daar is de vrouw wiens vorige lover haar enige kind vermoordt
die drie jaar later met borsten die nog druipen
het kind desperaat terug in het leven wil voeden

hoeveel vrouwen zijn daar die waren en wachtten
en weer waren en wachtten alsof dit alles is
dat bij droogtes past
of geweld de nek om kan draaien
hoeveel vrouwen stromen leeg
in lakens van vergetelheid sterven verminkt
in stralend bloed sterven in vodden van verdoving
in een graf uiteindelijk glazig geel
in een uitgezogen korf van gebeente

hoeveel vrouwen sterven onder verstikkende mantels van de nacht
en hoeveel van hen ben ik en ben ik niet

hoeveel van hen verzamelen zich onzichtbaar
smekend of schreeuwend buiten mijn huis
mijn omsingelde huis
tussen sculpturen van wankelende bomen
tussen muren van glas –

mijn enige verweer tegen de
slijtende hekken van de tijd

 

waarskuwings

ek moet jou waarsku teen die wind wat roer
die wind wat die hare van gordyne roer
ek moet jou waarsku teen die strooisel vere
wat die tarentale op ons werf kom los
ek moet jou waarsku teen die molle wat sappige wortels
kom vreet die molle wat nikssiende rondhoer
in die tonnels van ambrosia o ek moet jou waarsku
teen die skulpe van sterre wat in bome kom hang
want hulle blink verniet
ek moet jou waarsku
teen die maan se mistige oog
die son se roomwang teen jou gesig
ek moet jou waarsku teen die lam met sy rug na ons gekeer
met sy gebreekte poot en wolkop na die stoof gedraai
ek moet jou waarsku
teen die lam wat sy ore flap in die waaier van lug
teen die honde wat straataf draf sketterend jag na asblikkos
teen die swart lappe van voëls op die wasgoeddraad
ek moet jou waarsku
teen my kissie van roospapier
waarin al my juwele is die krabbers die hangers
en die ringe van topaas

ek moet jou waarsku dat alles niks beteken vir die liefde nie
minder as woorde minder as water minder as brood
want die liefde het net oë vir mekaar
liefde is sonder bril in mekaar
liefde is oë vasgewaai inmekaar

liefde is sonder alles omheen
liefde is ‘n dennewoud
liefde is ‘n beurende dennewoud
waar die boskapper
onverpoos kap

ek moet jou waarsku

*

waarschuwingen

ik moet je waarschuwen tegen de wind die zich roert
de wind die haren van gordijnen beroert
ik moet je waarschuwen tegen de veren
die de parelhoenders op ons erf verstrooien
ik moet je waarschuwen tegen de mollen die sappige wortels
komen vreten de mollen die stekeblind rondwoelen
in de tunnels van ambrosia o ik moet je waarschuwen
tegen de schelpen van sterren die in bomen komen hangen
want ze blinken voor niets
ik moet je waarschuwen
tegen het mistige maanoog
de roomwang van de zon tegen je gezicht
ik moet je waarschuwen tegen het lam
met zijn rug naar ons gekeerd
met zijn gebroken poot en wolkop naar het fornuis gedraaid
ik moet je waarschuwen
tegen het lam dat met zijn oren flappert in de waaier van lucht
tegen de honden die schetterend straten afdraven op jacht naar asemmers
tegen de zwarte lappen van vogels op de wasgoeddraad
ik moet je waarschuwen
tegen mijn kistje van rozenpapier
waarin al mijn juwelen broches hangers
en ringen van topaas

ik moet je waarschuwen dat alles niets betekent voor de liefde
minder dan woorden minder dan water minder dan brood
want de liefde heeft slechts ogen voor elkaar
liefde is ogen vastgewaaid in elkaar
liefde is afzondering van de wereld
liefde is een dennenwoud
liefde is een verlokkelijk dennenwoud
waar de houthakker
onophoudelijk kapt

ik moet je waarschuwen
 

nagvlugte

om nagvlugte te verf
na afloop van die liefde
moet die punt van die kwas sag wees
moet die punt van die kwas kan inbuig
en dans soos die weerlig hoog
in die bondeling van wolke

om nagvlugte te verf
moet die note kan sing
soos ? nokturne in jou hande
losgelaat in die stormwind
téén die verliese van die wêreld
téén die struike van ? donker
afgeskaalde tuin

om nagvlugte te verf
moet die kleur soet wees
soos rooi
ruimskoots geel
en middernagblou
meer syig as die reise van harte

om nagvlugte te verf
moet die punt van die kwas
sag wees vir mekaar

*

nachtvluchten

om nachtvluchten te schilderen
na afloop van de liefde
moet de punt van de kwast zacht zijn
moet de punt van de kwast meebuigen
en dansen als het weerlicht hoog
in de bundeling van wolken

om nachtvluchten te schilderen
moeten de noten kunnen zingen
als een nocturne in jouw handen
losgelaten in de stormwind
tegen de verliezen van de wereld
tegen de struiken van een duister
uitgedunde tuin

om nachtvluchten te schilderen
moet de kleur zoet zijn
als rood
ruimschoots geel
en middernachtblauw

om nachtvluchten te schilderen
moet de punt van de kwast
zacht zijn voor malkander
 

middernag, ’n brief vir Marcelle

hoe anders dat my brief
geen brood sal wees nie
maar ‘n dowwe kaart wat nooit
volmaak die beeld kan wys
nagte kan stukkend val soos glas jy weet
en die oond bly koud

dáár blink die maan teen ‘n blokkie ruit
dáár sny die sterre ‘n donker berg
en dáár borrel ‘n voël onder sy vlerke uit

hoe anders kind as jy slaap
tussen klokke en oker klepels van lig
teen ou mure of sugtend tussen pilare
waar gargoyles van vermaarde
Oxford-kolleges oor jou waak

ek weet jou taal is brood
en kantel saam met die Cherwill-rivier
spaan tot diep in die maagwande
van amber kastele en kamers in klip
villages en grafstene
wat sedig in die eeue hurk

hoe anders dat my brief
eintlik nie eens ‘n tekening sal wees nie
met al die kontoere en lyne afgerond
al die verslete holvoettrappies
wat ek wil klim
tot dáár

want hier
is dit middernag
hier krummel die klanke soos skilferdeeg
sag in my keel

hier het die klok gaan staan
omdat ek so verlang

*

middernacht, een brief aan Marcelle

hoe kan het anders
dan dat mijn brief geen brood is
maar een doffe kaart die nooit
volmaakt kan verbeelden
nachten kunnen stukvallen als glas weet je
en de ochtend blijft koud

dáár blinkt de maan in een blokje ruit
dáár snijden de sterren
een donkere berg uit de nacht
en dáár borrelt een vogel onder zijn vleugels uit

hoe kan het anders
dan dat je slaapt kind
tussen klokken en okeren klepels van licht
tegen oude muren of zuchtend tussen pilaren
waar gargoyles van vermaarde
Oxford-colleges over je waken

ik weet, je taal is brood
en kantelt samen met de Cherwill
spaandiep in de maagwanden
van amberen kastelen en kamers van rotsen
villages en grafstenen
die zedig in de eeuwen hurken

hoe kan het anders
dan dat mijn brief niet eens
een tekening zal zijn
met al de contouren en lijnen afgerond
al de uitgesleten treetjes
die ik wil beklimmen
tot dáár

want hier
is het middernacht
hier kruimelen de klanken als schilferdeeg
zacht in mijn keel

hier is de klok stil blijven staan
omdat ik zo verlang

Verantwoording
Deze gedichten zijn door de Meanderredactie en mij gekozen uit de laatste dichtbundel van Marlise Joubert en op haar verzoek door mij vertaald. Mijn uitgangspunten bij het vertalen waren: er mag niets van de strekking verloren gaan; de surrealistische, intuïtieve stijl moet zoveel mogelijk gehandhaafd blijven; de rijkdom aan klank en functioneel ritme moet behouden blijven; de vertaling mag vrij zijn waar dat nodig is om in het Nederlands te voldoen aan voornoemde uitgangspunten; waar mogelijk moeten de typisch Afrikaanse woordcreaties in Nederlandse woordcreaties omgezet, maar niet ten koste van de begrijpelijkheid; de vertaling moet Nederlands opleveren en geen Afrikanismen (bijvoorbeeld holvoettrappies is niet vertaald als holvoettrapjes, maar als uitgesleten treetjes).

Chris Coolsma, Roden
18 mei 2008
 

Dubbelinterview met Kila & Babsie

'Jullie maken poëzie weer fris'

 

Dichtersduo Kila & Babsie timmert aardig aan de weg. Op poetryslams won het koppel, bestaande uit Kila van der Starre en Babette Zijlstra, al verschillende keren een publieksprijs en ook bij jury’s scoren ze goed. Meander stelt deze energieke dames aan u voor.

Vertel: hoe is het dichtersduo Kila & Babsie ontstaan?
K: Het begon allemaal tijdens een poëzieproject in 5 VWO, toen Tjitske Jansen bij ons op school kwam voordragen. Babsie en ik kwamen er toen achter dat we allebei al een tijd gedichten schreven en dat we best dezelfde stijl hadden. Veel vrienden om ons heen beklommen met bandjes open podia in de buurt en wij besloten ook eens op te treden. Niet met saaie covers van de Red Hot Chili Peppers, maar met zelfgeschreven poëzie.
B: De reacties waren heel positief, dus zijn we op zoek gegaan naar andere podia en wedstrijden. In 2006 wonnen we de eerste prijs bij de Kunstbende. Ook hebben we onder andere opgetreden op het Boekenfeest in Nijmegen, bij de Internationale Poetry Nights Maastricht en op het poëziefestival Sunsation. Dit jaar zijn we veel op poetryslams te vinden. In Boxtel en Rotterdam hebben we de publieksprijs gewonnen.

Jullie sluiten qua gedichten goed op elkaar aan. Wat is poëzie precies voor jullie?
K: Voor mij is poëzie een perfecte verwoording. Een goed gedicht is zo af en rond dat je het telkens opnieuw wilt lezen. Ik merk bij mezelf dat mijn beste gedichten in één keer goed op papier stonden, alsof ze al bestonden en ik ze alleen maar hoefde op te schrijven. Een goed gedicht doet iets met je, en dat merk ik ook bij het publiek wanneer Babsie en ik voordragen. De mensen lachen, zuchten of zijn allemaal tegelijk een moment stil. Heel bijzonder.
B: Ook voor mij is poëzie iets wat er vanzelf is. Bij mij stromen er zomaar woorden en zinnen mijn hoofd binnen. Deze zijn gelinkt aan hoe ik dingen interpreteer, hoe ik ze zie of hoe ik die op dat moment beleef. Het kan van alles zijn, want alles kan met woorden worden uitgedrukt. Als dichter schilder je een schilderij van taal. Alleen de schrijver weet wat hij er mee bedoelt, maar het leuke is dat het op een andere manier geïnterpreteerd kan worden. Het is wel jammer dat bij veel mensen de opvatting heerst dat poëzie ouderwets en moeilijk te begrijpen is. Dat is ze absoluut niet en wij willen dat overbrengen. Soms zeggen mensen na een optreden tegen ons: ‘Jullie maken poëzie weer fris. Ik had er nooit over nagedacht dat het kon zoals jullie het doen’. Zulke reacties wil ik bereiken met mijn poëzie.

Wie zijn jullie literaire voorbeelden?
B: We delen er een aantal, bijvoorbeeld Tjitske Jansen. Verder hou ik van Mustafa Stitou en Daniel Dee, vernieuwende dichters die het hebben over alledaagse dingen.
K: Tjitkse Jansen is zeker een dichter op wie we allebei gek zijn. Het is eigenlijk heel bizar dat door haar bezoek op onze middelbare school onze gedichten zijn ontstaan en we tegenwoordig op festivals en podia optreden waar zij ook optreedt. We houden ook allebei van de poëzie van Judith Herzberg, Ingmar Heytze en Jaap Robben. Babsie heeft mij eens de bundel van Mustafa Stitou cadeau gegeven en ook ik vind hem geweldig. Ik heb op de een of andere manier ook iets met Ilja Leonard Pfeijffer en zijn werk, maar ik geloof dat Babsie hem veel te vaag vindt.

Het interessante aan jullie gedichten is dat ze bedoeld zijn voor een gezamenlijke voordracht. Kunnen jullie een beeld geven van het proces dat een gedicht ondergaat van leeg vel tot optreden?
K: We schrijven onze gedichten altijd apart van elkaar. Het is toch iets wat je helemaal zelf moet doen. Daarna mailen we elkaar, zo van: ‘Kijk eens wat ik heb geschreven, vind je het wat?’. Wanneer we bij elkaar komen ontstaat er bijna vanzelf een voordracht. We proberen het gevoel van het gedicht naar voren te brengen door onze stereovoordracht. De mogelijkheden daarvan zijn eindeloos. We proberen dan ook altijd verassend te blijven. Bij sommige gedichten praten we veel door elkaar, zoals bij ‘Oud en Nieuw’. Bij dat gedicht proberen we de sfeer en het rumoer van een café te creëren. Bij andere gedichten dragen we gedeeltes tegelijkertijd voor, zoals in het begin van ‘Twee weken’:

twee weken, vierentwintig keer
veertien, één bed
twee mensen, vier voeten
twintig tenen

B: We hebben al zo vaak samen opgetreden dat we elkaar perfect aanvoelen. We krijgen soms zelfs te horen dat we als één persoon klinken! Bij mijn gedicht ‘Ik zeg niks’ hebben we een soort estafette-voordracht, waarbij de een begint met voordragen, de ander invalt en daarna in haar eentje doorgaat totdat de ander weer invalt en zo door. Hierdoor krijg je een snel en haast opgefokt gevoel, dat precies bij het gedicht past. We gebruiken ook gefluister, geroep, herhaling en het verschil tussen hard en zacht. Zo proberen we bij elk gedicht een passende voordracht te bedenken. Soms sporen we elkaar aan om meer te schrijven of geven we elkaar opdrachten. Op die manier blijft het schrijven verassend en leuk en blijft er nieuw werk komen.

Wat is nu typisch een Kila-gedicht en wat een typisch Babsie-gedicht?
B: Ik hou nauwelijks rekening met regels of vaste stramienen. Ik leer heel veel van Kila: we overleggen veel over hoe een gedicht eruit ziet, over hoe het anders en beter zou kunnen. Kila houdt meer rekening met taal dan ik, maar allebei proberen we fris en vernieuwend te schrijven. Je zult niet snel oude wollige taal vinden in onze gedichten.
K: Over het algemeen komt onze stijl erg overeen: simpel, toegankelijk, humoristisch. We proberen allebei momenten vast te leggen in onze gedichten. Ik denk wel dat Babsies werk meer constaterend is, en mijn werk meer verhalend. In Babsie’s gedicht ‘Berlijn’ bijvoorbeeld, weet ze met constateringen een goed beeld neer te zetten van een chique hotel:

Zelfgemaakt ice tea
In een bamboe-glas
(volgens mij is het een vaas)

glazen schaaltje met verse witte pitloze druiven

Ook is Babsie van de neologismen, zoals ‘blaaslegend’, ‘meeuwbeest’ en ‘telegraafverlangend’.
Mijn gedichten, bijvoorbeeld ‘Ken je dat?’ (beluister het mp3-bestand) en ‘Date’, zijn meer kleine verhaaltjes. Ook gebruik ik soms dialoog in mijn poëzie, zoals in ‘De verdwaalde jazzpianist die ik vond’:

"Ik ben verdwaald." zei je.
"Weet jij de weg?" "Nee,
maar ik heb je gevonden."
zei ik. "Kan je piano spelen?"

Dat heeft Babsie tot nu toe nooit gedaan.

Stel dat er ooit een bundel komt: wordt dat dan een duobundel? Of zien jullie het ook zitten zelf iets uit te brengen?
K: Dat wordt zeker weten een duobundel! Het lijkt me te gek om als duodichters een bundel uit te geven, maar dan wel met cd. Onze poëzie móet gewoon ook beluisterd worden.
B: Het wordt inderdaad absoluut een duobundel. We treden altijd op als een dichtersduo en onze gedichten worden samen veel sterker, vooral door de voordracht. Onze gedichten kunnen natuurlijk apart van elkaar gelezen worden, dus wat dat betreft zou een ‘singlebundel’ ook kunnen. Maar we zijn toch liever met zijn tweetjes.

Meer informatie over Kila & Babsie vindt u op hun website: www.kilababsie.nl. Daar kan ook meer poëzie beluisterd worden.

Gedichten

door Kila & Babsie (1988)

moederliefde is niet altijd

Moeilijk doen of je de rode enkellaarsjes wilt hebben terwijl het broertje van een kennis van een meisje uit je klas dood is gegaan omdat hij in een koeienstal viel.
Ziekelijk optimistisch was de kennis van een meisje uit je klas maar toch overleed hij.

Russische gitaarmuziek klinkt door de auto

Je rijdt een mus aan en nu zullen zijn kindermusjes hun moeder nooit meer zien
Nooit meer wormen gevoerd krijgen door moedermus.
Geen warme vleugels.
Geen extra plastic versteviging voor het nest.

Gelukkig;
Er is nog een vadermus.
Sterk, zacht, redelijk kalend en in bezit van optimisme.
Hij redt de kindermusjes
en betaalt de rode enkellaarsjes.

Bedankt pappa.

Babsie
 

Nacht van de poëzie

Langzaam vallen mijn ogen dicht
als zandzakken die van
een berg af rollen,
als de berg moet niesen.

Gedempte geluiden van kerels uit de kroeg
nemen rare vormen aan – zingen ze een lied?
Een auto raast langs en de rode gordijnen lijken op die roze vogels
Flamingo’s?

Ik weet dat ik aan hem denk.
Ik wil dat niet want ik denk liever aan een broodje tonijnsalade.
Als er mensen langs moeten sta ik op.
Ik zit krap en een man reikt folders aan
maar niet aan ons.

Zien we er niet uit als dichters?

Dag nacht van de poëzie, tot 2009.

Babsie
 

Namen voor onze kinderen

Jij zei Pillow, ik zei Grape.
Hihat. Nee, dat doet teveel aan waterhoofd denken.
Tuin. Geen Tijl, geen Teun, maar Tuin, u hoorde het goed.
Plant.
Sparerib.
Mandela. Een blonde jongen met blauwe ogen (dat is zeker, want blauw en blauw is blauw) die Mandela heet. Een blonde jongen met blauwe ogen die Mandela heet.
Mag dat eigenlijk wel?
Ik zei Piccolo, jij zei Stoep.
Alladin, Fiets, Takkie.

Misschien moeten we maar een hond nemen.

Kila
 

Ik slaap, dicht en huil in bed

Toen ik mij eens heel snel omdraaide in bed
(omdat iemand de badkamer uitkwam
en ik niet wilde dat hij mij zag huilen)
schoot er een traan in mijn rechter oor.

Een traan die om jou gerold was.
Hij droop zich een weg tussen
mooie momenten en prachtige plekken
en gevoelde gevoelens die ik bewaar.

De volgende dag zat hij er nog.
Ik droeg hem ongewild mee,
want hij klotste en deed me
constant aan jou denken.

Ineens was hij weg.
Hij verdween op het moment
dat ik mijn telefoon aan mijn
oor deed en jij zei:

Het ruikt hier naar jou.

Kila
 

Osaka, Japan

K. Het was een rare winkel.
B. –

K. –
B. Vol felle rafelkleren, touwtjestassen, wolle sjalen, kralen, ikhoudnietvandesign sieraden.

K. Maar toen zij binnen kwam leek de winkel best normaal.
B. –

K. Ze was een los gekomen retro                                         ontpopte
B.                          gelaten           maar toch van deze tijd

K. hippe pop in een roze jurk                     (pauze) een late zomerstorm
B. hippe pop           witte       gemaakt van (pauze) zoete suikerspinnen

K.              haar lippen rood en in haar paarse legerhak stak
B.       haar haar was groen en in haar paarse legerhak stak

K. één zwart wit gestreepte maillot
B.                                              en één kanten meisjessok.

K. En ik stond in de winkel met mijn                 en
B.                                                spijkerbroek     jas.

Kila & Babsie