Interview met Willem Thies

Een stadsromanticus

 

Willem Thies debuteerde in 2006 met de bundel Toendra in de Sandwichreeks. Voor deze bundel kreeg hij de C. Buddingh’-prijs 2006 voor het beste Nederlandstalige poëziedebuut. In april komt de tweede bundel van Willem Thies uit. Deze gaat Na de vlakte heten en verschijnt bij uitgeverij Podium.

Foto: Hugo Keizer

Existentiële leegte
De titel Na de vlakte is een verwijzing naar de titel van zijn debuutbundel. ‘Een toendra is een kale, boomloze vlakte, uitgestrekt en onherbergzaam. Laat ik de toendra achter mij, dan laat ik deze "geestelijke woestenij" of "existentiële leegte", zoals recensenten de titel in relatie tot mijn eersteling hebben verklaard, achter mij en bereik ik een leefbaarder en gastvrijer omgeving,’ vertelt Willem Thies. Veel van zijn nieuwe gedichten zijn nadrukkelijk in de stad gesitueerd. ‘De titel duidt op een verandering van omgeving en die duidt weer op een inhoudelijke en stilistische ontwikkeling: ik schrijf nu in een minder rauwe en koele stijl, mijn gedichten zijn warmer; én veel van mijn gedichten zijn ingebed in een meer concrete, stedelijke context – ze spelen aan een gracht, in een park, in smalle straatjes, een begraafplaats in het Amsterdamse stadsdeel Oud-Zuid of in Heilig Land Stichting bij Nijmegen.’
Er is een groot verschil tussen de gedichten in Na de vlakte en de gedichten in Toendra. ‘Mijn nieuwere gedichten zijn minder ruw, minder samengeperst. Ik laat meer licht en lucht toe, meer adem. De gedichten zijn opener en suggestiever. Ingetogener. Wat onveranderd is, is dat ik blijf schrijven in een heldere en beeldende stijl,’ legt Thies uit en hij gaat verder: ‘De reden voor deze verandering in schrijfstijl is denk ik tweeledig. Ten eerste word je zelf ouder en vindt er een verschuiving plaats in interesses, mentaliteit en temperament. De oudste gedichten van Toendra schreef ik toen ik een jaar of 23 was. Op die leeftijd was ik nog behept met fascinaties voor de dood, zelfmoord, oorlog, de Holocaust, wapens en het duistere… Dat is typisch voor die leeftijd. Daar groei je overheen, dat wil zeggen: de fascinaties zwakken af, of "normaliseren" tot interesses, nieuwsgierigheid. Een andere reden is dat je simpelweg niet dezelfde bundel wil schrijven. Je wil je niet herhalen, maar vernieuwen, nieuwe wegen inslaan. Dat is deels een evolutie die parallel loopt aan de evolutie van jou als persoon, maar het is ook iets waar je voor kiest, iets wat je afdwingt, forceert. Je kunt een bepaalde latente tendens manifest maken, versnellen en versterken.’

Romanticus
Aan veel gedichten van Willem Thies zit een donker randje. Hij verklaart dit als volgt: ‘Ik weet zelf niet precies wat hiervoor de reden is: het duistere is, denk ik, een rijk en vruchtbaar gebied. Tenminste, als je er vriendjes mee wordt. Het is goed je bewust te zijn van je duistere kant, deze te incorporeren en te integreren, en niet te verbannen. Daarbij zie ik er geen kwaad in het duistere in fictie en fantasie toe te laten. Waarom niet? Dat zie ik als een soort sublimering van het kwaad. Exorcisme misschien zelfs. Zolang je erover schrijft, er een film over maakt, een schilderij, kun je zo morbide en gruwelijk zijn als je wil. Ik denk dat Bret Easton Ellis in werkelijkheid een uiterst zachtmoedig en innemend man is, maar hij creëerde wel de ijzingwekkende psychopaat Patrick Bateman.
Ik ben vaak uitgemaakt voor romanticus, maar ik betwijfel of ik dat ben, in persoon of werk. Althans, ik denk wel dat ik het ben, maar niet meer dan andere dichters. Volgens mij heeft namelijk iedere dichter een romantische inborst, ongeacht de stijl, anders zou je niet zo gek (onaangepast, "onnuttig", onburgerlijk, onmaterialistisch, dwaas) zijn om te gaan dichten in the first place,’ vindt Thies. ‘Daarbij geloof ik, net als Maarten Doorman, dat wij deel uitmaken van "een romantische orde", dat onze huidige tijd nog steeds in essentie een romantische is, al maakt ook de romantiek een evolutie door en heeft zij vele gedaanten. Maar natuurlijk heeft mijn poëzie romantische wezenstrekken, meer in het bijzonder donkerromantische: de dood, begraafplaatsen, het lijden, de strijd, het duistere.
Misschien valt het romantisch te noemen dat ik überhaupt over de grote, universele themata, de dood en de liefde, durf te dichten. Laat mij dan een romanticus zijn! Als de dood en de liefde érgens onderdak moeten kunnen vinden, dan bij de poëzie. Daarmee is niet gezegd dat je deze woorden expliciet moet noemen, maar poëzie waarin liefde en dood ontbreken is ondenkbaar.
Overigens ben ik in vele opzichten géén romanticus: ik wil níet een ander zijn, ik wil niet "elders" zijn, ik verlang niet terug naar mijn kinderjaren of jeugd, of een andere tijd,’ gaat Thies verder. ‘Van de andere kant ben ik wél een romanticus in die zin dat ik absoluut géén rationalist ben, en géén materialist. En vooral in die zin dat ik de eigenheid van iets of iemand voorop stel, de eigen identiteit en stijl, de uniciteit.
Maar áls ik al een romanticus ben, dan een heel fysiek, aards romanticus en niet zo’n vergeestelijkt figuur die enkel in zijn hoofd leeft, en daarbij een stadsromanticus en geen natuurlyricus.’

De kerk
In zowel Toendra als in Na de vlakte staan gedichten die een religieuze invloed doen vermoeden. In de gedichten ‘Confessie’ uit de eerste bundel en ‘Psalm’ uit de tweede valt daarbij het gebruik van het parallellisme en de repetitio op, die twee geliefde stijlfiguren van Willem Thies blijken. ‘Het zijn heel oude, traditionele poëtische stijlmiddelen, simpel maar uiterst krachtig en effectief. In veel gevallen gaan ze vergezeld van het middel van de enumeratie, de opsomming,’ zegt Thies. Hij vertelt wat zijn verhouding tot het geloof en de kerk is: ‘Toen ik zestien was mocht ik samen met mijn jongere broer misdienaar zijn bij het veertigjarig huwelijksjubileum van mijn grootouders. We werden gestoken in het rood en wit. We moesten de kelk met wijn aanreiken en een kandelaar met kaarsen dragen. Na afloop van de mis ging ik rond met een mandje om geld in te zamelen. Ik voelde mij heel plechtig, en deed mijn uiterste best de handelingen zo zorgvuldig mogelijk uit te voeren. Dát is wat mij aantrekt in het geloof: de vormgeving, de magie, de rituelen. Het onverstaanbare gemurmel van mannen met lange baarden van de orthodoxe kerk, het gezwaai met wierookvaten, het devote aanraken van heiligenbeelden door Italianen, in fluisterende rijen, de mix van het oude Maya-geloof en het katholicisme zoals ik dat gezien heb onder de indianen in Zuid-Mexico: het strooien van dennennaalden en het offeren van flesjes Coca-Cola, als iets kostbaars.
Ik wil de vorm alleen loskoppelen van de religieuze inhoud, de implicaties en connotaties. Ik wil het beeld behouden zónder die specifieke betekenis, maar met een even groot appèl, een even grote zeggingskracht, alleen dan op een persoonlijk vlak. In die zin dus een mix van de beeldenrijkdom van het katholicisme met de persoonlijke beleving van het protestantisme, maar dan zónder een god. Of zoiets.
Hoe dit ook zij, op 17 mei ga ik trouwen. Ook voor de kerk. Dat wordt een viering, vormgegeven door mijn aanstaande vrouw en mij, geen dienst. Ik vind een kerk een mooie, gewijde plek, zoals ik ook een kerkhof een sacrale plek vind. Het zijn plekken die ontzag inboezemen, die je vervullen van eerbied. Tegelijk ben ik eigenlijk niet gelovig in strikte zin.’

Exact
Willem Thies is niet alleen dichter maar hij heeft ook heel wat ervaring als persklaarmaker voor literaire uitgeverijen, en heeft in die hoedanigheid tal van dichtbundels en romans geredigeerd. ‘Bij het schrijven van een gedicht probeer ik in eerste instantie de redacteur in mijzelf uit te schakelen. Maar ik zie wel degelijk een parallel: uiteindelijk, bij de definitieve versie of eigenlijk al bij iedere herschrijving, vind ik precisie een belangrijk criterium. Dat is natuurlijk geen wetenschappelijke precisie, maar je moet wel degelijk exact weten wat je wil zeggen, en dat zo exact mogelijk verwoorden. Welk woord op welke plaats, daar komt het op aan – wat zijn je afwegingen, wat wil je bewerkstelligen? Ik ben sterk gekant tegen vaagheden of willekeur onder het mom van "poëtische vrijheid". Natuurlijk kan poëzie ongerijmd zijn, wonderlijk, vreemd, "onlogisch" en onconventioneel, in woordkeus, woordcombinaties en volgorde, maar alles moet kloppend zijn binnen dat ene gedicht. Je moet garant staan voor je woorden en hun betekenis. Schrijf je een sprookjesachtig gedicht, dan kunnen vogels en vossen praten, maar schrijf je een gedicht dat in alle opzichten "realistisch" is, dan zal een cowboy met een revolver schieten en een piraat met een pistool, en whisky wordt gestookt en bier gebrouwen, en niet andersom, om maar wat simpele voorbeelden te geven. Je kunt het best "verkeerd" zeggen, maar dan moet dat nadrukkelijk je bedoeling zijn. Je moet scherp zijn, en je sterk bewust zijn van wát je wil zeggen, en hóe je dat wil zeggen. Alternatieven overwegen, tot een definitieve keuze komen. In dat opzicht ga ik, óók als dichter, uiterst consciëntieus te werk. En in die zin moet elke dichter, bij tweede en latere versies, redacteur zijn van zijn eigen werk.’

Interview met Maarten Inghels

'Doodgaan in 2011 en postuum worden uitgegeven'

 

Maarten Inghels (1988) is medebezieler van Collectief Wolf, een literair theatercollectief dat op verscheidene theaterfestivals tekstperformances speelt. Verder won Inghels tweede en derde prijzen in Kunstbendefinales in de categorieën text en text on stage. Onlangs werd hij ook geselecteerd voor de finale van de Antwerpse wedstrijd Frappant TXT. Hij publiceerde in Op Ruwe Planken, KoSMose en schrijft maandelijks een gedicht voor de ECHT-krant.

Hier en daar viel je al in de prijzen of veroverde je een publicatie. Wat drijft een jongeman zoals jij om je gedichten in te sturen?
Ik schrijf om te beroeren. Geen huiskamergedichten voor familie of goede vrienden. Neen, gedichten voor een groter publiek en die iets doen. Niet onberoerd laten, maar raken. Je mag ze slecht of lelijk vinden of juist heel mooi, maar ze moeten iets doen. Onverschilligheid vind ik een enge ziekte. Vandaar misschien dat ik ooit meedeed met de Kunstbende, om te weten of mijn teksten een groter publiek beroerden. Vorig jaar stuurde ik poëzie in voor Write Now!, de schrijfwedstrijd van Passionate, waarmee ik de derde prijs won. Dus het lukt nu ook met poëzie op papier, en niet alleen met tekstperformance. Dat zet me aan om door te gaan, net hetzelfde als met publicaties.

Kijken mensen wel eens vreemd op als je ze vertelt dat je gedichten schrijft en die ook op een podium voordraagt?
Vreemd niet, maar vooral jongeren zien poëzie al gauw als het formuleren van gevoelens. Zoiets als ‘ken je dat gevoel, vlinders in mijn buik.’ Terwijl poëzie meer is dan wat emoties op papier. Ik studeer theater-, film- en literatuurwetenschappen en Nederlands aan de Universiteit van Antwerpen, waar ook enkele artistieke verwanten rondlopen. Zij zouden niet vreemd opkijken. Nu vertel ik eigenlijk helemaal niet vaak dat ik poëzie of proza schrijf. Ze komen het eerder te weten door op mijn weblog te stuiten, of door me toevallig aan het werk te zien met Collectief Wolf.

Aan wie heb je veel steun om te doen wat je doet?
Ik heb niet veel steun nodig om te doen wat ik nu doe. Ik heb een drijfveer, een hunkerend hart, zo je wilt; ik wil zaken opschrijven, archiveren, vastleggen.

‘Poëzie is als een feit achteraf’, vertelde je Meander toen we je bij je inzending vroegen wat poëzie is. Wat wil je daarmee zeggen?
Onlangs kreeg ik de bemerking dat mijn poëzie vaak benoemt. Dat is volledig waar. Ik wil de dingen een nieuwe naam geven, een ander uitzicht. Door alles achteraf op te schrijven gaan die dingen pas echt bestaan, een nieuw leven leiden. Ik leg vast om niet te vergeten, ik wil archiveren. Maar ook: als ik dit nu opschrijf, is het dan ook gebeurd? Is dit de waarheid?
Ik laat mezelf als dichter ook steeds aan het woord en dat geeft me macht over wat ik laat zien. Mijn gedichten werken als passe-partouts, die een raam voor de werkelijkheid zijn. Maar ik bepaal natuurlijk wel welk deel van de werkelijkheid. Ik verdraai dat deel, ik verfraai het soms. Het zijn immers niet zomaar wat gevoelens op papier, ik wil ze interessanter maken, voor mezelf en voor anderen.
Metaforen zijn voor mij verdraaiingen. Als je daar ver in gaat, krijg je een waanbeeld, een illusie. Nog verder en je gaat de werkelijkheid versleutelen, een richting die ik niet uit wil in mijn poëzie. Vaak krijg je dan erg hermetische gedichten, waar je je tanden op stuk moet bijten wil je er iets uit krijgen.

Het lijkt alsof dichten voor jou iets oncontroleerbaars is, iets wat je overkomt. Denk je dat je het schrijven van poëzie kunt leren, in workshops bijvoorbeeld?
Versregels overkomen me inderdaad vaak. Snel opschrijven is dan de boodschap, want ik heb een geheugen als een vergiet. Maar schrijven is wel iets waar ik constant mee bezig ben. Vandaar dat het oncontroleerbaar lijkt, ik kan er niet zomaar mee stoppen, of zeggen: nu even niet.
Zelf zou ik geen workshops volgen, omdat schrijven voor mij een individueel proces is. Ik heb na de Kunstbende workshops gevolgd, in het kader van een theaterfestival. Uit het groepsproces kwamen uiteindelijk vooral teksten voor op een podium. Op papier bleven er maar weinig goede dingen over.
Vandaar waarschijnlijk dat ik mijn gedichten instuur naar tijdschriften. Worden ze geweigerd, dan zijn ze slecht; niet voor jou, maar wel voor anderen. Dan weet je dat. Die feedback is wel noodzakelijk. Kijk, ik kan niet zingen, daar heb ik geen enkele aanleg voor. Maar ook al zou ik nog zo graag de sterren van de hemel willen zingen, dan ga ik nog geen workshop volgen. Je moet je gebreken gewoon onder ogen zien, er zal wel iets anders zijn dat je ligt. Zo ook is niet iedereen gezegend met een flinke portie creatieve taalvaardigheid. Je kan ze wel aanscherpen met workshops, denk ik, maar dat maakt van jou nog geen goede dichter. Net zomin als van mij een goede zanger. Enfin.

In het verlengde van de vorige vraag: kun jij schrijven op commando? Bijvoorbeeld over een opgelegd thema?
Ik heb het onlangs geprobeerd en het lukte me een aardig gedicht te schrijven. Dus, ja.

Samen met Charlien Adriaenssens richtte je het literaire theatercollectief Collectief Wolf op. Wat voor een collectief is dat en waar komt de naam vandaan?
De adjectieven spreken bijna voor zich; we maken theater dat sterk naar het literaire neigt. Tekstperformances met ballen aan hun lijf. Zo zijn we drie jaar geleden begonnen met het dadaïstische ‘Het Rariteitenkabinet’, waarmee we tweede werden in de Kunstbendefinale. Daarna trokken we rond, langs theaterfestivals als De Nachten in Antwerpen en Weerwoord in Brussel. Nu, enkele theaterperformances later, spelen we onze cabaretvoorstelling ‘Speelt Vals’ in huiskamers en een ingekorte versie daarvan op festivals.
Wolf staat eigenlijk voor het wilde zachte. Een aaibaar beest, niet voor niets familie van de hond, maar wel een kippenbijter. Zo willen wij ook wel eens kuitenbijters zijn, venijnige vragen afvuren op het publiek, relschoppen. Maar evengoed tonen we de zachte vacht die ook om de mens zit. Wolf komt ook van Herman Hesse’s roman De steppenwolf, een boek dat ik dringend nog eens moet herlezen.

Je waagt je soms ook aan poetry slam. Wat doet een slam met poëzie volgens jou?
Levendig houden. Als je kijkt naar de Saint-Amourkaravaan die volle zalen trekt, zou je kunnen gaan denken dat poëzie erg populair is, en dat terwijl er maar een klein publiek is voor poëziebundels. Die orale cultuur is nu eenmaal aangenamer, vaak ook humoristisch. Als je een bundel leest moet je het zélf doen. Je moet de humor, de inhoud zélf zoeken. Nu, ik heb ongeveer een jaar op Antwerpse poëziepodia gestaan, met als ‘kers op de taart’ de Antwerpse Poetry Slam. Achteraf gezien blijkt het toch een erg incestueuze scene te zijn. Steeds dezelfde mensen die elkaar verkopen. Van die zelfverheerlijking krijg ik de kriebels. En er is een overkill aan podia. Alles bundelen en er een maandelijks feest van maken zou de poëzie meer fleur geven én meer publiek. Maar om podiumervaring te krijgen is het erg goed.
Poëzie op een podium moet voor mij rock-‘n-roll zijn. Er moet veel energie in zitten, daaruit komt de adrenaline. Ik houd niet van ingetogen poëzie op een podium. Geef mij maar woordpower met ballen.

Hoe ziet de toekomst van dichter Maarten Inghels er uit?
Doodgaan in 2011 en postuum worden uitgegeven.

Estelle Boelsma overwoog te stoppen met poëzie

Tot een nieuw systeem komen

 

Estelle Boelsma is naast dichter ook beeldend kunstenaar. Of andersom. Ze is taal- en kunstfilosoof en redacteur van het e-zine blue-turns-grey. Als haar invloeden noemt ze onder anderen Ramsey Nasr, K. Michel, Mustafa Stitou en Saskia de Jong, maar ook de beroemde bloemlezing Atonaal.

Meander staat bekend als een podium voor beginners. Je hebt al gepubliceerd in een aantal belangrijke tijdschriften en je zou kunnen zeggen dat je dus al zo’n beetje bent ‘doorgebroken’. Waarom heb je toch ingezonden?
Ik zie de publicaties in andere tijdschriften niet in het bijzonder als doorbraak, tijdschriften vormen een podium waar je je werk aan de buitenwereld kunt tonen. Ik heb naar Meander ingezonden omdat ik het als een venster, als intermediair zie naar de wereld.

Wanneer is een gedicht voor jou geslaagd?
Een gedicht is voor mij geslaagd wanneer de inhoud geen aanpassing meer behoeft, als ik het kan loslaten in de buitenwereld, wanneer inhoud, vorm en punctuatie in orde zijn, en het vragen stelt. Soms werk ik verder aan gedichten die ik een decennium geleden geschreven heb. Maar er zijn ook gedichten die zich in één adem, één gedachtegang hebben laten schrijven. Het zijn twee verschillende benaderingen en ik verkies de ene niet boven de andere. Als ik de lezer, de ander, kan bereiken via een gedicht, is het dubbel geslaagd. Zet het een lezer aan tot vraagstelling, liever dan tot aanname, dan is het driedubbel geslaagd.

Wat zijn de belangrijkste thema’s van jouw gedichten zijn?
Als ik terugkijk op mijn gedichten kan ik geen duidelijk terugkomende thema’s aangeven. Hoewel mijn gedichten aanvankelijk bevolkt werden door archaïsche creaturen, zoals koningen, prinsessen, idioten, leprozen maar ook kwantumfysici, en een wat hermetisch, larmoyant taalgebruik hadden, merk ik dat mijn nieuwere gedichten meer de nadruk leggen op het alledaagse, speelser zijn, en dat het taalspel in het algemeen voorop staat. Als ik toch een thema zou moeten benoemen, zou het doodsdrift of doodsverlangen zijn, hoewel dit verpakt zit in tal van metaforen en allegorieën.

Je verzen zijn nogal ontoegankelijk. Vind je het desondanks belangrijk waar ze ‘over gaan’? Of gaat het je om de (schoonheid van de) taal zelf?
Ik zie schrijven niet voornamelijk als een vorm van expressie, hoewel ik gebiologeerd kan zijn door de schoonheid van een woord, van taal, van een geslaagde zin. Ik lees woordenboeken voor mijn plezier, ik heb altijd een stapeltje naast mijn bed liggen. ‘Woordgeil’ in populaire frase. Ik vind het belangrijk hoe een woord zich verhoudt binnen een zin, hoe klank de betekenis kan versterken of afzwakken, of hoe letters zich in een afzonderlijk woord typografisch tot elkaar verhouden; dat zijn allemaal ingrediënten die ik belangrijk acht bij het schrijven van een gedicht. Ik zou meer willen experimenteren door mezelf bepaalde restricties op te leggen en dan tot een gedicht komen, dit zeggende denk ik aan de roman La disparition van Georges Perec, een roman met de afwezigheid van de letter ‘e’.

Een jaar geleden zei je tegen Meander: ‘Het grootste nadeel van het werken met diverse media is dat je de kern vaak niet raakt. Die versnippering werkt me tegen.’ Je zei je te willen concentreren op de poëzie. Toch zit je nog in de redactie van blue-turns-grey en hou je je daar bezig met fotografie en beeld. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan?
Mijn achtergrond is duidelijk de beeldende kunst, hoewel ik altijd gefascineerd ben geweest door taal in de breedste zin van het woord. Tijdens mijn opleiding aan de Kunstacademie in Arnhem heb ik mij vaak in het schemergebied van beeldende kunst en poëzie gewaagd. Ik heb enkele bibliofiele uitgaven gemaakt waarin beeld en woord samenvallen en soms een interactie aangaan. Na het afstuderen ben ik me meer op taal gaan concentreren en de betekenis daarvan, etymologie, evidentie, betekenis en functie. Mijn grootste struikelblok om poëzie te kunnen schrijven is niet de afleiding van de kunst of de wisselwerking van poëzie en kunst, maar mijn onderzoek naar de relevantie van taal an sich. Mijn studie taalfilosofie en hermeneutiek heeft me talloze keren doen besluiten geheel met de poëzie te stoppen, omdat het zo leugenachtig is en in tegenspraak met de ideeën die ik over taal gevormd heb en omdat ik veronderstel dat ik niet meer oprecht ben. Blijkbaar is de drang en het genoegen poëzie te schrijven sterker dan elk redelijk argument dat ik hier tegen kan bieden. Het zal altijd wel een heikel punt blijven, omdat het zo met elkaar in tegenspraak is, omdat ik soms erg twijfel over legitimiteit.

Kun je proberen te beschrijven hoe de kruisbestuiving tussen beeldende kunst en poëzie er bij jou uitziet of hoe die er idealiter uit zou moeten zien?
Ik veronderstelde vroeger dat de combinatie van beeld en poëzie vaak als een illustratie van het één dan wel het ander geldt, maar daar ben ik van af gestapt. Beeld en woord kunnen twee afzonderlijke elementen vormen, hoewel ze een doorlopende wisselwerking aangaan. Er valt wel een combinatie te bewerkstelligen en tot een waarachtige kern te komen – dit zou in het concept duidelijk moeten zijn zonder dat er een wederzijdse interpretatie is. Zo ver ben ik nog lang niet. Ik had mij inderdaad voorgenomen poëzie centraal te stellen en mij daarop te concentreren, maar sommige van mijn ideeën laten zich makkelijker en duidelijker in beeld vatten. Ik zou mezelf beperken wanneer ik me inderdaad op één medium zou concentreren. Daarnaast heb ik gemerkt dat ik door me met het ene bezig te houden geïnspireerd word om het andere te doen. Het is een continue wisselwerking. Ik zou het een uitdaging vinden een vorm te vinden waarin ik beide kan combineren en tot een nieuw systeem kan komen.

Kunnen we binnenkort een dichtbundel van je verwachten?
Ik heb een publicabel manuscript klaarliggen waar ik momenteel een geschikte uitgever voor zoek.

En, tot slot: wat doet Estelle Boelsma als ze niet aan het fotograferen of dichten is?
Langs de Rijn fietsen. Buster Keaton-films downloaden. Een puberzoon tot redelijkheid bekeren.

Over Claudio Rodríguez

Voor even was hij zijn gedicht

 

De Spaanse dichter Claudio Rodríguez werd in 1934 in Zamora geboren. In 1947 verloor hij zijn vader – een groot poëzieliefhebber – waardoor het tot dat moment redelijk welgestelde gezin financieel aan de grond kwam te zitten. De jonge Rodríguez vond al snel een baan als beheerder van diverse landgoederen, wat hem naast het broodnodige geld een passie voor lange wandelingen opleverde – hij moest de afstanden tussen de verschillende landerijen immers noodgedwongen te voet afleggen. Zijn spaarzame vrije tijd bracht hij door in de bibliotheek van zijn vader, waar hij met name onder de indruk raakte van de klassieke Spaanse dichters en het Franse drietal Verlaine, Baudelaire en Rimbaud.

In 1951 toog hij naar Madrid om Romaanse letterkunst te studeren. Rodríguez bleek zelf een vroegrijp dichter: op achttienjarige leeftijd kreeg hij de Adonaisprijs voor zijn manuscript Don de la ebriedad (Gift van dronkenschap) – door velen gezien als een van de belangrijkste Spaanse dichtwerken van de tweede helft van de twintigste eeuw. Na zijn studietijd vertrok hij in 1958 naar Engeland, waar hij aan de universiteiten van Nottingham en Cambridge ging doceren en kennismaakte met het werk van dichters als Dylan Thomas en William Wordsworth.

Hoewel Rodríguez tot aan zijn overlijden, in 1999, met zijn doorvoelde, romantische poëzie groot aanzien genoot onder vakgenoten en Spaanse critici, was hij een verlegen, bescheiden man. De titel van zijn poëziedebuut was niet toevallig gekozen. Hij hield van een borrel en volgens de verhalen vergezelde zijn vrouw hem vaak op tournee door het land om hem voor al te grote uitspattingen te behoeden.

Begin jaren negentig bezocht hij ook het Zuid-Spaanse Murcia. In de statige balzaal van het lokale casino – casino staat in het Spaans niet alleen voor ‘gokhal’, maar ook voor ‘herensociëteit’ – zat hij zichtbaar in de olie naast de dichter José Agustin Goytisolo op zijn beurt te wachten. Toen het zo ver was, brabbelde hij wat onverstaanbaars, bladerde een poosje in zijn eigen bloemlezing en droeg vervolgens ‘Ajeno’ (‘Vreemd’) voor. Hij stamelde, doordezemde zijn verzen met emotie en toen hij eindelijk klaar was, pinkte hij een traan uit zijn linkerooghoek. Op dat moment kon je in de bomvolle zaal de spreekwoordelijke speld horen vallen: voor even leken dichter en gedicht een haast onwaarschijnlijke eenheid te vormen. (Hier draagt hij hetzelfde gedicht voor, maar bij deze gelegenheid wás hij niet het gedicht, maar las hij het ‘slechts’ voor).

In ons taalgebied is Rodríguez nog altijd een grote onbekende. Toegegeven: niet al zijn – soms wat overdadige – teksten zullen Nederlandstalige lezers aanspreken. Maar wie een gedicht als ‘Ajeno’ kon schrijven, verdient het om ook in de Lage Landen in brede kring gelezen te worden.

Gedichten

AJENO

Largo se le hace el día a quien no ama
y él lo sabe. Y él oye ese tañido
corto y duro del cuerpo, su cascada
canción, siempre sonando a lejanía.
Cierra su puerta y queda bien cerrada;
sale y, por un momento, sus rodillas
se le van hacia el suelo. Pero el alba,
con peligrosa generosidad,
le refresca y le yergue. Está muy clara
su calle, y la pasea con pie oscuro,
y cojea en seguida porque anda
sólo con su fatiga. Y dice aire:
palabras muertas con su boca viva.
Prisionero por no querer, abraza
su propia soledad. Y está seguro,
más seguro que nadie porque nada
poseerá; y él bien sabe que nunca
vivirá aquí, en la tierra. A quien no ama,
¿cómo podemos conocer o cómo
perdonar? Día largo y aún más larga
la noche. Mentirá al sacar la llave.
Entrará. Y nunca habitará su casa.

Uit: Alianza y condena (1965)

Beluister hier het gedicht

*

VREEMD

Voor hem die niet liefheeft wordt de dag lang
en hij weet dat. Hij hoort dit korte en harde
klokgelui van het lichaam, zijn gebroken
melodie die altijd naar verte klinkt.
Hij sluit zijn deur en ze blijft goed gesloten;
hij gaat buiten, en even knikken zijn
knieën naar de grond. Maar de dageraad
verfrist hem en richt hem op met geduchte
grootmoedigheid. Erg helder is zijn straat,
en met donkere stap doorloopt hij haar
en strompelt dan meteen omdat hij slechts
met zijn vermoeidheid loopt. En hij spreekt lucht:
dode woorden met zijn levende mond.
Gevangene door liefdesnood, omarmt hij
de eigen eenzaamheid. En veilig is hij,
veiliger dan wie ook omdat hij niets
bezit: en hij beseft goed dat hij nooit
hier, op aarde, zal wonen. Die niet liefheeft,
hoe kunnen wij hem kennen of vergeven?
Lang is de dag en langer nog de nacht.
Hij zal liegen als hij de sleutel neemt.
Naar binnen gaan. En nooit zijn huis bewonen.
 

VIENTO DE PRIMAVERA

Ni aún el cuerpo resiste
tanta resurrección, y busca abrigo
ante este viento que ya templa y trae
olor, y nueva intimidad. Ya cuanto
fue hambre, ahora es sustento. Y se aligera
la vida, y un destello generoso
vibra por nuestras calles. Pero sigue
turbia nuestra retina, y la saliva
seca, y los pies van a la desbandada,
como siempre. Y entonces,
esta presión fogosa que nos trae
el cuerpo aún frágil de la primavera,
ronda en torno al invierno
de nuestro corazón, buscando un sitio
por donde entrar en él. Y aquí, a la vuelta
de la esquina, al acecho,
en feraz merodeo,
nos ventea la ropa,
nos orea el trabajo,
barre la casa, engrasa nuestras puertas
duras de oscura cerrazón, las abre
a no sé qué hospitalidad hermosa
y nos desborda y, aunque
nunca nos demos cuenta
de tanta juventud, de lleno en lleno
nos arrasa. Sí, a poco
del sol salido, un viento ya gustoso,
sereno de simiente, sopló en torno
de nuestra sequedad, de la injusticia
de nuestros años, alentó para algo
más hermoso que tanta
desconfianza y tanto desaliento,
más gallardo que nuestro
miedo a su honda rebelión, a su alta
resurrección. Y ahora
yo, que perdí mi libertad por todo,
quiero oír cómo el pobre
ruido de nuestro pulso se va a rastras
tras el cálido son de esta alianza
y ambos hacen la música
arrolladora, sin compás, a sordas,
por la que se llegará algún día,
quizá en medio de enero, en el que todos
sepamos el por qué del nombre: "viento
de primavera".

Uit: Alianza y condena (1965)

*

LENTEWIND

Nog weerstaat het lichaam zoveel
opstanding niet en zoekt bescherming
tegen deze wind die de kou al wegneemt en geur
aanvoert en nieuwe vertrouwelijkheid. Al wat
honger was is nu levensonderhoud. En het leven
verzacht en een vrijgevige fonkeling
trilt in onze straten. Maar ons netvlies
blijft troebel en het droge speeksel,
en onze voeten gaan alle kanten op,
gelijk altijd. En dan,
die onstuimige druk die het nog
weke lichaam van de lente ons bezorgt,
zwerft rond de winter
van ons hart op zoek naar een plaats
langs waar hij naar binnen kan. En hier,
bij het ophanden zijn, op de loer,
bij vruchtbaar rondsnuffelen,
lucht hij onze kleren
waait door ons werk,
veegt het huis, smeert onze deuren
die hard waren van kortzichtigheid, doet ze open
voor ik weet niet welke mooie gastvrijheid
en overspoelt ons en, hoewel
wij ons nooit rekenschap geven
van zoveel jeugd, veegt ons
helemaal weg. Zeker, een al smaakvolle
wind, sereen van het zaaigoed,
waaide kort na zonsopgang rond
onze droogte, rond de onrechtvaardigheid
van onze jaren, moedigde aan tot
iets mooiers dan zoveel
wantrouwen en zoveel moedeloosheid,
veel eleganter dan onze
vrees voor zijn diepgaande verzet, zijn hoge
opstanding. En nu wil ík,
die mijn vrijheid voor alles verloor,
nu wil ik horen hoe het povere geluid
van onze pols zich voortsleept
achter de warme klank van dit verbond
en beide brengen zonder maat, heimelijk,
de overweldigende muziek voort,
waardoor ooit de dag dichterbij zal komen,
misschien midden in februari, waarop wij allen
het waarom zullen kennen van de naam
"lentewind".
 

ESPUMA

Miro la espuma, su delicadeza
que es tan distinta a la de la ceniza.
Como quien mira una sonrisa, aquella
por la que da su vida y le es fatiga
y amparo, miro ahora la modesta
espuma. Es el momento bronco y bello
del uso, el roce, el acto de la entrega
creándola. El dolor encarcelado
del mar, se salva en fibra tan ligera;
bajo la quilla, frente al dique, donde
existe amor surcado, como en tierra
la flor, nace la espuma. Y es en ella
donde rompe la muerte, en su madeja
donde el mar cobra ser, como en la cima
de su pasión el hombre es hombre, fuera
de otros negocios: en su leche viva.
A este pretil, brocal de la materia
que es manantial, no desembocadura,
me asomo ahora, cuando la marea
sube, y allí naufrago, allí me ahogo
muy silenciosamente, con entera
aceptación, ileso, renovado
en las espumas imperecederas.

*

SCHUIM

Ik kijk naar schuim, zijn teergevoeligheid
die zo verschillend is van die van as.
Zoals iemand een glimlach bekijkt, degene
waarvoor hij zijn leven geeft en die moeheid
is en steun voor hem, bekijk ik nu het nederige
schuim. Dit is het rauwe en mooie moment
van gebruik, de aanraking, de daad van overgave
door het te scheppen. Het gekerkerde leed
van de zee komt vrij in zo lichte vezel;
onder de kiel, tegenover de dijk, waar
doorkliefde liefde bestaat zoals op aarde
de bloem, ontstaat het schuim. In haar is het
dat de dood doorbreekt, in haar kluwen is het
dat de zee leven haalt zoals de mens
op de top van zijn hartstocht mens is, ver van
andere bezigheden: in zijn levend geil.
Aan deze borstwering, mondstuk van de materie
dat bron is, geen monding,
vertoon ik me nu, als de vloed
stijgt, en daar lijd ik schipbreuk, daar verdrink ik
heel stilletjes, met volledige
instemming, ongedeerd, hernieuwd
in onvergankelijke lagen schuim.
 

EL BAILE DE ÁGUEDAS

Veo que no queréis bailar conmigo
y hacéis muy bien. ¡Si hasta ahora
no hice más que pisaros, si hasta ahora
no moví al aire vuestro estos pies cojos!
Tú siempre tan bailón, corazón mío.

¡Métete en fiesta; pronto,
antes de que te quedes sin pareja!

¡Hoy no hay escuela! ¡Al río,
a lavarse primero,
que hay que estar limpios cuando llegue la hora!

Ya están ahí, ya vienen
por el raíl con sol de la esperanza
hombres de todo el mundo! Ya se ponen
a dar fe de su empleo de alegría.
¿Quién no esperó la fiesta?
¿Quién los días del año
no los pasó guardando bien la ropa,
para el día de hoy? Y ya ha llegado.
Cuánto manteo, cuánta media blanca,
cuánto refajo de lanilla, cuánto
corto calzón. ¡Bien a lo vivo, como
esa moza se pone su pañuelo,
poned el alma así, bien a lo vivo!

Echo de menos ahora
aquellos tiempos en los que a sus fiestas
se unía el hombre como el suero al queso.

Entonces sí que daban
su vida al sol, su aliento al aire, entonces
sí que eran encarnados en la tierra.

Para qué recordar. Estoy en medio
de la fiesta y ya casi
cuaja la noche pronta de febrero.
Y aún sin bailar: yo solo.

¡Venid, bailad conmigo, que ya puedo
arrimar la cintura bien, que puedo
mover los pasos a vuestro aire hermoso!

¡Águedas, aguedicas,
decidles que me dejen
bailar con ellos, que yo soy del pueblo,
soy un vecino más, decid a todos
que he esperado este día
toda la vida! Oídlo.

Óyeme tú, que ahora
pasas al lado mío y un momento,
sin darte cuenta, miras a lo alto
y a tu corazón baja
el baile eterno de Águedas del mundo,
óyeme tú, que sabes
que se acaba la fiesta y no la puedes
guardar en casa como un limpio apero,
y se te va, y ya nunca…
tú, que pisas la tierra
y aprietas tu pareja, y bailas, bailas.

Uit: Conjuros (1958)

*

HET DANSFEEST VAN ÁGUEDAS

Ik zie dat jullie met mij niet willen dansen
en daar doen jullie goed aan. Deed ik tot nu toe immers
niet anders dan op je voeten trappen, bewoog ik immers
tot nu toe in jullie lucht deze manke voeten niet!
Jij altijd zo danslustig, mijn hartje.

Maak jullie klaar voor het feest, gauw,
voor je zonder partner blijft!

Geen school vandaag! Naar de rivier,
om het eerst zich wassen
want je moet netjes zijn als de tijd daar is!

Daar zijn ze al, ze komen
langs het spoor met de zon der hoop
mensen uit de hele wereld! Ze maken zich al klaar
om getuigenis af te leggen van hun vreugdebaantje
Wie keek niet uit naar het feest?
Wie bracht de dagen van het jaar
niet door met goed op zijn kleren te passen
voor de dag van vandaag? En nu is hij gekomen.
Wat een rokken, wat een witte kousen,
wat een onderrokken van dunne witte wol, wat een
korte broeken. Heel energiek, zoals
deze meid haar halsdoek omdoet,
sla je ziel zo om, heel energiek.

Nu mis ik die tijden
toen de man bij de feesten hoorde
gelijk de wrongel bij de kaas.

Toen gaven ze wél hun leven
voor de zon, hun adem voor de lucht, toen
waren ze wél vlees geworden op aarde.

Waartoe zich herinneren. Ik ben midden
in het feest en de vroege nacht
van februari stremt bijna.
En nog steeds zonder te dansen: ik alleen.

Komt, danst met mij, want ik kan de band al
goed vastbinden, ik kan
mijn passen bewegen naar jullie heerlijke lucht!

Águedas, aguedicas,
zeg hun dat ze me laten
dansen met hen, dat ik tot het volk behoor,
ik ben een buurman meer, zeg aan allen
dat ik op deze dag heb gewacht
mijn leven lang! Hoor hem.

Luister jij naar mij, die nu
naast mij voorbijkomt en een ogenblik,
zonder je rekenschap te geven, omhoog kijkt
en naar je hart daalt
het eeuwige dansfeest van het wereld-Águedas,
luister naar mij, jij die weet
dat het feest ten einde loopt en dat je het niet
in huis kan houden gelijk een schoon werktuig,
maar dat het je ontgaat, en nooit meer…
Jij, die op de grond trapt
en je partner omklemt, en danst, danst.
 

SALVACIÓN DEL PELIGRO

Esta iluminación de la materia,
con su costumbre y con su armonía,
con sol madurador,
con el toque sin calma de mi pulso,
cuando el aire entra a fondo
en la ansiedad del tacto de mis manos
que tocan sin recelo,
con la alegría del conocimiento,
esta pared sin grietas,
y la puerta maligna, rezumando,
nunca cerrada,
cuando se va la juventud, y con ella la luz,
salvan mi deuda.

Salva mi amor este metal fundido,
este lino que siempre se devana
con agua miel,
y el cerro con palomas,
y la felicidad del cielo,
y la delicadeza de esta lluvia,
y la música del
cauce arenoso del arroyo seco,
y el tomillo rastrero en tierra ocre,
la sombra de la roca a mediodía,
la escayola, el cemento,
el zinc, el níquel,
la calidad del hierro, convertido, afinado
en acero,
los pliegues de la astucia, las avispas del odio,
los peldaños de la desconfianza,
y tu pelo tan dulce,
tu tobillo tan fino y tan bravío,
y el frunce del vestido,
y tu carne cobarde…
Peligrosa la huella, la promesa
entre el ofrecimiento de las cosas
y el de la vida.

Miserable el momento si no es canto.

Uit: El vuelo de la celebración (1976)

*

REDDING UIT HET GEVAAR

Deze belichting van de materie,
met haar gewoonte en haar harmonie,
met aanrijpende zon,
met de slag zonder rust van mijn pols,
wanneer de lucht binnendringt
in de angst van het gevoel van mijn handen
die zonder argwaan tasten,
met de vreugde van het kennen,
die wand zonder barsten,
en de boosaardige deur, die altijd doorlaat,
nooit gesloten,
wanneer de jeugd voorbijgaat en met haar het licht,
redden mijn schuld.

Mijn liefde redt dit gesmolten metaal,
dit linnen dat je altijd oprolt
met honingwater,
en de heuvel met duiven,
en de gelukzaligheid van de hemel,
en de broosheid van deze regen,
en de muziek van de
zanderige bedding van de droge beek,
en de kruipende tijm op okerkleurige grond,
de schaduw van de rots tussen de middag,
het gips, het cement,
het zink, het nikkel,
de kwaliteit van het ijzer, omgezet, gezuiverd
tot staal,
de plooien van de listigheid, de wespen van de haat,
de treden van het wantrouwen,
en je zo zachte haar,
je zo slanke en zo wilde enkel,
en de frons van het kleed,
en je bangige huid…
Gevaarlijk het spoor, de belofte
tussen het aanbod van de dingen
en dat van het leven.

Armzalig is het ogenblik als het niet zingt.
 

SIN ADIÓS

Qué distinto el amor es junto al mar
que en mi tierra nativa, cautiva, a la que siempre
cantaré,
a la orilla del temple de sus ríos,
con su inocencia y su clarividencia,
con esa compañía que estremece,
viendo caer la verdadera lágrima
del cielo
cuando la noche es larga
y el alba es clara.

Nunca sé por qué siento
compañero a mi cuerpo, que es augurio y refugio.
Y ahora, frente al mar,
qué urdimbre la del trigo,
la del oleaje,
qué hilatura, qué plena cosecha
encajan, sueldan, curvan
mi amor.

El movimiento curvo de las olas,
por la mañana ,
tan distinto al nocturno,
tan semejante al de los sembrados,
se va entrando en
el rumor misterioso de tu cuerpo,
hoy que hay mareas vivas
y el amor está gris perla, casi mate,
como el color del álamo en octubre.

El soñar es sencillo, pero no el contemplar.
Y ahora, al amanecer, cuando conviene
saber y obrar,
cómo suena contigo esta desnuda costa.

Cuando el amor y el mar
son una sola marejada, sin que el viento nordeste
pueda romper este recogimiento,
esta semilla sobrecogedora,
esta tierra, este agua
aquí, en el puerto,
donde ya no hay adiós, sino ancla pura.

Uit: Casi una leyenda (1991)

*

ZONDER VAARWEL

Hoe verschillend is de liefde bij de zee
van die in mijn geboorteland, het boeiende, dat ik altijd
zal bezingen,
dicht bij het karakter van zijn stromen,
met zijn onschuld en zijn helderziendheid,
met dat gezelschap dat doet huiveren
bij het zien vallen van de echte traan
van de hemel
wanneer de nacht lang is
en de dageraad klaar.

Nooit weet ik waarom ik mijn lichaam
partner voel, want het is voorteken en toevluchtsoord.
En nu, tegenover de zee,
wat een kettingdraad is die van de tarwe,
die van de golfslag,
wat voor een spinnerij, wat voor volle oogst
voegen ze toe, doen ze samensmelten, buigen ze
mijn liefste.

De buigbeweging van de golven,
‘s morgens
zo verschillend van de avondlijke,
zo gelijkend op die van de zaailanden,
gaat binnendringen in
het geheimzinnige rumoer van je lichaam,
vandaag, nu er springvloeden zijn
en de liefde parelgrijs is, bijna glansloos,
zoals de kleur van populieren in oktober.

Het dromen is eenvoudig maar het beschouwen niet.
En nu, in de vroege morgen, nu het past
om te weten en te doen,
hoe klinkt deze naakte kust met je mee.

Wanneer de liefde en de zee
eenzelfde deining zijn, zonder dat de noordoostenwind
die ingetogenheid kan verbreken,
dit indrukwekkende zaad,
dit land, dit water,
hier in de haven,
waar geen vaarwel meer bestaat maar louter anker.

Claudio Rodríguez
Vertaling gedichten: Fa Claes