Gedichten

door Maren Mostert (1965)

schijndood

ze zeiden dat jij het was
tussen rekwisieten
bloemen en gebogen hoofden

we liepen naast onszelf
jij ging ons voor
omdat wij volgden

iemand deed de zon aan
want weet je nog
het was hartje zomer die dag
 

leeggebloed

we gingen verder
stouwden kasten overvol

en bij verjaardagen
kusten we lucht

jij schonk expres
de verkeerde wijn

zo lang heeft het geduurd
voor de dagen dood waren
 

ingerukt

tussen het stof
in de ficus nestelt
een gedoodverfde vogel

hoe ik ook schreeuw, spring
en zwaai met mijn armen
hij knippert niet eens

er waren goede dagen
met de wind door het huis
en vogels buiten

alles op zijn plek
bewoog
 

van papier

binnen de perken
als de hokjes
die ik aanvink

bent u gehuwd
of duurzaam gescheiden?

bent u gek
of gestoord als de rest?

te veel
naar waarheid ingevuld
kan ik niet liefhebben
 

(8) Poetry slam

Wat is poëzie? Hoe moet zij gelezen worden? Is hedendaagse slam-poëzie ook echt poëzie? Het zijn actuele vragen. In een reeks korte essays wordt de poëzie vanuit verschillende invalshoeken bekeken. De zoektocht naar het wezen van de poëzie staat hierin centraal. In deel 8 – alweer – ga ik in op dat wonderbaarlijke nieuwe fenomeen dat maar niet volwassen poëzie schijnt te kunnen produceren, maar toch schoorvoetend aan populariteit wint en volgens hen die eraan meedoen een ware hausse is: de poetry slam.
 

Deel 8

In de Klassieke Oudheid was het een goed gebruik om tijdens zeer uitgebreide diners te luisteren naar Griekse redenaars die klassieke werken reciteerden. Werk van Homeros, maar ook van recentere grootse tragedieschrijvers als Aischylos en Sophokles, werd vakkundig voorgedragen. Stel je het mooie, zangerige Grieks voor, de fraaie beeldenreeksen, de emotionele passages. En dat allemaal tijdens het aangenaam keuvelen en genieten van de meest exotische spijzen en smaken. Dat is met niets te vergelijken!
Ook toen was taal al een belangrijk en wonderbaarlijk instrument. Eén woord kon een hele wereld bevatten en verhalen konden de toehoorders meeslepen naar een geesteswereld. En omgekeerd konden door woorden wezens uit de geesteswereld onze wereld in gehaald worden en zelfs worden beheerst. Maar zoals dat gaat in de geschiedenis, raken zaken in vergetelheid om later weer opgepikt te worden. Zo richtten de rederijkerskamers in Holland zich op dezelfde kwaliteiten. Op bekwame wijze werden er door de leden bestaande gedichten voorgedragen. De beste voordragers ontvingen prijzen en mochten zelfs op tournee.

Met de komst van de boekdrukkunst ontstond er langzaam maar zeker een andere literatuur. Dit is vergelijkbaar met de manier waarop er nu door de televisie en film een nieuw soort literatuur ontstaat. Een literatuur die zich richt op het korte, het bondige. Die meteen wil laten zien en ervaren, net zoals beelden ons meteen tonen wat er speelt. Een literatuur die ons uiteindelijk de grenzen van het beeld en de veelzijdige kracht van het woord zal laten zien. Maar dat is een ander verhaal.
De boekdrukkunst bracht een ander cultureel geheugen de wereld in. Niet langer was het enkel aan godsdienstige handen voorbehouden om belangrijke zaken vast te leggen. Het gedrukte woord kon makkelijker verspreid en gelezen worden. De noodzaak om verhalen mondeling over te dragen ten einde kennis en identiteit te bewaren, was veel minder geworden.
Hierdoor zijn schrijvers op een andere manier lezers van hun eigen werk geworden. Werd vroeger alles door het oor gekeurd, tegenwoordig schrijft de schrijver veel meer voor het oog. Belangrijke vragen zijn: wat is de typografie, loopt de zin lekker zo, hoe is de bladspiegel, wat is het lettertype? De vorm van het gedicht op papier is veel belangrijker geworden. Sterker nog, vaak kun je alleen nog maar aan de vorm van een tekst zien of het om een gedicht gaat of niet. En dan ga ik hier nog voorbij aan de experimenten aan het einde van de negentiende eeuw van de Franse dichter Mallarmé, of aan de typografische experimenten van de overbekende Vlaamse dichter Paul van Ostaijen, die de grenzen van het woord op papier opzocht.
Door deze ontwikkeling werd echter een vitale navelstreng doorsneden: die tussen woord en adem. Het woord kon plots blijven bestaan zonder degene die het uitgesproken had. En mensen konden teksten lezen zonder degene te horen die ze bedacht heeft.
En toch praten wij nog steeds met de lucht in onze longen en worden de woorden nog steeds gevormd middels het strottenhoofd. Net zoals mensen dat al duizenden jaren lang doen. Wij gebruiken dagelijks die wonderbaarlijke instrumenten om dat wat binnen onszelf opgesloten zit, naar buiten te brengen en over te brengen op een ander.

In de jaren zestig werd er opnieuw teruggegrepen op het verleden. Grote groepen mensen wilden de moderne, technologische samenleving – of technocratische zoals zij die noemden – achter zich laten ten einde te leven volgens de eigen natuurlijke wetten en regels. In de poëzie werd teruggegrepen op de orale traditie. De harmonie tussen mens en woord kwam weer centraal te staan en de boekdrukkunst – dat technologische staaltje woordverbastering – werd overgeslagen. Happenings en Be-ins werden georganiseerd. Gedichten werden live voorgedragen, vaak tijdens muziekfestivals. Het contact tussen dichter en lezer werd directer. Als gevolg van deze ontwikkelingen werden er poëziecafés opgericht. Dichters traden op naast muzikanten en een tijdlang was er zelfs sprake van poppoëzie. Een van die cafés was het Nuyorican Poets Café in New York, een berucht dichterscafé waar je opgetreden moet hebben.
Deze ontwikkelingen betekenden een grote verandering voor de verstarde poëziescene, die zich toen hoofdzakelijk afspeelde op universiteiten, in kleine tijdschriften en tussen de harde kaften van gedrukte boeken op planken. De vele levendige stemmen brachten een nieuw geluid in de door studeerkamers gedomineerde dichtkunst. Het moet vergelijkbaar zijn geweest met de lange Rimbaud die beschonken ‘merde’ en ‘cul’ schreeuwde tijdens de besloten bijeenkomsten waar Verlaine hem naartoe bracht om zich aan de dichterlijke stemmen van het moderne Parijs te laven.
Het is zo dat ieder woord – zelfs als het geschreven wordt – zijn oorsprong heeft in de adem van degene die het neerschrijft en gewogen wordt door het oor van diegene die het opschrijft. Iedere regel wordt in eerste instantie opgebouwd volgens de adem van degene die schrijft terwijl hij schrijft. De Amerikaanse dichter Charles Olson realiseerde zich dit en schreef er in de jaren vijftig een kort en zeer invloedrijk essay over. De beats droegen het verder uit.

Dit is in het kort het verhaal van de wedergeboorte van de voordrachtspoëzie in de westerse cultuur in de twintigste eeuw. Eind jaren tachtig besloot Marc Smith om de voordracht wat spannender te maken voor de toeschouwers en voerde de spelregels in die heden ten dage nog steeds gelden bij de poetry slam. Zo duurt een performance maximaal drie minuten, zijn rekwisieten niet toegestaan en vallen er na iedere ronde een aantal deelnemers af. De afvallers worden aangewezen door een jury. Maar ook het publiek spreekt zijn voorkeur uit. Uiteindelijk is er dus zowel een jurywinnaar als een publiekswinnaar.

Ik wil hier geen lans breken voor de poetry slam, voor de manier waarop een nieuwe, jonge generatie de poëzie naar zichzelf toe heeft getrokken en er voor zichzelf vorm aan heeft gegeven. Ik wil hier niet benadrukken dat de poëzie die voor poetry slam geschreven is, meer de nadruk legt op de identiteit van de dichter/performer en minder gebruik maakt van de kunstvormen inherent aan de poëzie. En ik wil hier ook niet ingaan op het feit dat de beste slammers die ik ooit gezien heb, professionele acteurs waren die in Londen op doorreis veel slams aandeden. Ze hadden op toneelacademies in Amerika gezeten en waren als geen ander in staat om een tekst volledig over te brengen. Maar ze waren niet even bekwaam in het schrijven ervan. Ik wil, tot slot, ook niet ieder slam-dichtwerk op een weegschaaltje leggen en met een zuur gezicht vergelijken met ‘De ballade van de gasfitter’ van Achterberg, ‘Cheops’ van Leopold, ‘Awater’ van Nijhoff of, wellicht zelfs met een kort versje van Gorter, van Andreus, of, hemel, een politiek gedicht van Henriëtte Roland-Holst. Het is niet van belang, hoewel men schijnbaar wel graag die discussie opzoekt. De ouderen zien de geringe zwaarte van de slamgedichten als hun grote verdediging tegen de kracht van de tijd, de vergankelijkheid. En de jongeren slaan, terecht, terug, omdat zij niet als volwaardig geaccepteerd worden. Maar zo gaat het dus al eeuwen, en niet alleen in de poëzie.
Wel is het opvallend dat er niet één uitgever is die zich opwerpt als slam-uitgever. Wellicht staren ze elkaar allemaal aan, met de handen in de zakken, pootjebadend in dezelfde Amsterdamse grachten. Dat is jammer, want de poetry slam geeft zeker poëzie om gehoord te worden. Is het niet op papier, dan wel op dvd als live-opname.
De grootste verdienste van de poetry slam is dat zij de poëzie gescherpt heeft. Niet alleen omdat zij benadrukt dat poëzie in de mond gevormd wordt, met het oor gehoord wordt en een toeschouwer behoeft. Maar ook omdat zij een nieuwe toon neerzet. Niet langer worden sullige dichters geaccepteerd die mompelend achter hun katheder hun uur uitzitten. Niet langer wordt hier braaf voor geapplaudisseerd. Men is verwend geraakt en mag daarom beter verwachten. Dat punt hebben zij, de slammers, onmiskenbaar nu al gescoord.

In deel 9 zal ik ingaan op het solitaire en mysterieuze proces van het schrijven zelf. Is dat inderdaad zo’n solitaire bezigheid, alleen achter het bureau, of luistert er iemand mee?

Gedichten

door Nafiss Nia (1968)

Dode vissen

De voetstappen van de nacht
op de veranda van de vergeten lente
zijn ongetwijfeld het neuriën voor het onvindbare.

Verspreid
de verloren dagen
over de gouden golven van de zon.

De nacht is berouwvol dichtbij,
de blikken van mijn zusters
zijn nog altijd in afwachting
en het zout dat de gedachten van de zee
bezig houdt, grijnst
pronkend de dode vissen toe:
"Jullie geheim is veilig bij mij"

Verspreid
de verloren dagen
over de gouden golven van de zon.

De nacht is zo berouwvol dichtbij.

 

Onderweg

Met een vlinderjas
twee goudvissen
en een koffer vol blauw
stap ik de stilte in;
reis rond in de lucht.

Af en toe logeer ik bij de wind
wandel ik met de maan
of schommel op een blad.

Niets is me afgenomen
behalve alles.

Ik reis naar binnen en buiten
dichtbij gefluister en ver van kabaal.
Ik reis dromerig naar mijn einde:

het vliegen.
 

Zonder geel, rood en bruin

Gesloten vensters doen mij
denken aan het verdriet
van de sterrenloze hemel
aan de bruiloft van de doden
aan de thuisloze herfst
zonder geel, rood en bruin.

Gisteren dat in niets op vandaag leek
sloeg de vensters voorgoed dicht,
de morgen die de dood van vandaag uitzwaait
opent de gesloten vensters van gisteren.
 

Herschepping

De zon is nog niet op.

Ik neem afscheid van de tuin
die naar hemeltranen verlangt
en de waslijn die altijd zucht.
Ik groet de kievitskooi van de buren,
de paardenbloem, het gevecht
tussen rode en de zwarte mieren
de pyjama van mijn jeugd, de hoelahoep.
Ik gooi alle seizoenen weg en
de regenboog schrap ik uit het woordenboek.
Ik vlucht van de besproeide veranda, de eikenboom
de speelse spelletjes van toen, het gevoel van vreemdheid

van haar, van hem
en bovenal van mijn moeder.

Ik val in de vijver van
volwassenheid en verdrink.
 

Dwaas

Vleugels die ik niet heb wil ik breken,
het vliegen dat ik niet kan, stoppen
ik wil thee drinken met
de noga die ik niet lust
mijn ogen dichtplakken van licht
afscheid nemen en slapen.

Ik wil terug naar het verloren moment
naar de vergeten lach
naar de tuin en de vijgenboom.

Maar ik ga huiverig voorwaarts
naar het blinde vooruitzicht,
het voorspelbare toeval,
het stille gezelschap,
naar morgen met de hoop een tros druiven
te plukken in het ochtendgloren.
 

Gedichten

door Peter W.J. Brouwer (1965)

DE BEZOEKERS

Ze porden het hout op en schonken wijn
weer waren we vrienden onder elkaar
maar voelden ons bekeken, die avond

stroomde het licht uit onze ogen
kamers in waar deuren kierden
die maar niet open gingen, of dichtvielen

en wat we elkaar ook zeiden, ergens
bleef het hangen, halverwege de avond

kouder was het geworden
en onze gastheer vergeetachtiger

we legden naast hem een blok in het vuur
en schonken hem zijn wijn

toen keek hij
op naar de klok, daar leek
hem van alles zoek

gebaarde nog wat te blijven
is zelf als eerste opgestaan

door wie zijn wij die avond ontvangen
wie schonk ons met het laatste glas

uit, doofde het vuur
in onze harten
werd het afwezig

wie zegde ons gedag
 

OVER GROOTOUDERS

Op een avond liep
een schelpenpad tot aan het huis

waar mijn grootmoeder
als engel de deur opende

in zoveel licht
had ik haar nog niet gezien

een fossiel was haar stem en
mijn herinnering het huis geworden

we groetten elkaar en spoelden aan
terwijl ik mijn grootvader slapend zag wijken

ik kon zijn huis en dieren met hokken
tot wrakhout bedenken

zijn appelboom tot klokhuis kijken
mezelf een nachtegaal
horen zingen
 

NAAKTE WAARHEID

Ik dacht als dit uitkomt
het diepst gekoesterd geheim
verkwanseld

dan regent het hier straks
waarheden als koeien

ik zag ze al vallen

grote naakte koeien
die als puzzelstukken over elkaar heen
rolden en het gras aan de andere kant

van koeien
bestudeerden
en of dat nog groener was

hun uiers waren
van schande gevlekt
en gaven melk als bloed

maar er was niemand
die zag wat ik zag
of zin had om zijn of haar

diepste geheim te verkwanselen
voor een handvol gelijk
of kilo’s naakte waarheid

ik zag ze grazen en dacht
ik ken de waarheid al te goed
ik kan haar beter laten
 

OM LANGZAAM TE VERGETEN

Haar benen weer kuis bijeen bedenken
vergeten haar mond, die smaakte naar jouw mond
de mouw waarin haar polsslag kroop
haar adem en de stilte om haar adem

vergeten het hoog opgetrokken been
ernstige ogen om een serieuze daad
haar snelle lach
als zij nu maar vergeet
jouw hemd om haar schouders
jouw hand waarin haar schoot
rustte en

vergeten haar hese stem
en het onontkoombare vloeken
om lichaamsdelen vol zoet geweld
waarin de tijd wel wilde blijven
vergeten dat het bloed toch weer
zich zonder verveling verzamelde
tot in de openingen van een ander
die geen ander meer was

vergeten wat je bedacht en
wegdacht, de stad en het land
delen van wandelingen
en het licht op een plein dat slonk in je oog
dat zich sloot voor haar
nadat je samen een laatste keer
en voldoende volledig
om langzaam te vergeten