Interview met Peter W.J. Brouwer

'In een goed gedicht wordt het onnoembare uitgesproken'

 

Peter W.J. Brouwer (1965, Eindhoven) is vertaler en schrijver. Hij woont in Velp met zijn vrouw, zoon en dochter. Hij treedt regelmatig op en publiceerde in tijdschriften als Dighter, Krakatau en Gierik en Nieuw Vlaams Tijdschrift. Daarnaast jureert hij diverse schrijfwedstrijden, waaronder de Guido Wulmsprijs en de Hendrik Prijs-prijs.

Het gedicht ‘Over grootouders’ lijkt me voor jou belangrijk te zijn. Schreef je dat uit persoonlijke ervaring?
Mijn grootouders zijn al enige jaren dood, maar ik droom nog wel eens over hen en dan lijkt hun verschijning niet aan een bepaalde tijd gebonden. ‘Over grootouders’ ontstond in dat schemergebied waar beelden van ‘elders’ het ‘hier en nu’ binnendringen. Hun aanwezigheid vormde een ideale ervaring waarbij woorden uit de kindertijd zich onthechtten en een eigen leven zijn gaan leiden. Uiteindelijk ontstond dit gedicht waarin ik de beelden, die er altijd al waren, heb overgenomen en opnieuw heb vormgegeven: een appelboom tot klokhuis bedenken is allereerst een ‘talige’ vondst die vervolgens een nieuw beeld oplevert.

Zijn er nog andere aanleidingen waardoor jij aan het schrijven slaat?
Ik heb zo vaak geprobeerd om er speciaal voor te gaan zitten, maar bij mij ontstaat het schrijven meestal onder spanning van andere bezigheden. Ook door een gemoedstoestand dringen scherpe regels zich soms aan me op. Of ik bent met iets eenvoudigs bezig en er doet zich een verrassend idee aan me voor waar ik dan toch voor moet gaan zitten. Zo ongeveer.
Natuurlijk gaat het altijd om een persoonlijke ervaring; het is altijd autobiografisch, direct of indirect en vaak tegen beter weten in. Gedichten over tijd en ‘altijd’, de dood die iemand heel stilletjes komt halen, of een liefdesrelaas dat verkeerd afloopt. Het gaat over een ander, maar uiteindelijk over mezelf. Ik kan een muze nemen om aan het schrijven te raken, maar ik ben toch de persoon die het allemaal bedenkt en beschrijft. Ik denk: dit moet gezegd worden, en dan schrijf ik het op. Of ik denk op een dag: ik heb dit zus of zo beleefd en dat was uniek. En al heb ik er geen woorden meer voor, ineens zie ik het in een regel voor mijn ogen ontstaan.

‘Wanneer je poëzie gaat benoemen, onttrekt het zich aan je.’ Bij het inzenden van je gedichten antwoordde je met deze stelling op onze vraag wat poëzie is. Wat bedoel je daar precies mee?
Poëzie heeft de merkwaardige eigenschap dat de inhoud van een gedicht de lezer bekend en tegelijk vreemd kan voorkomen. Alleen al in vorm is ze, in vergelijking met proza, heel gecomprimeerd. Het moet zich allemaal in enkele regels afspelen, het moet in luttele regels gezegd. Maar die schaal is bedrieglijk. Een verhaal laat zich nog verklaren, benoemen, er is altijd wel iets waar je de vinger achter kunt krijgen, waarvan je zegt: kijk, het thema. Maar in de poëzie bestaan er gedichten waarin de boodschap zich onttrekt zodra je haar wilt benoemen.
In een goed gedicht wordt het onnoembare uitgesproken. Wanneer je het een naam wilt geven, vlucht het voor je uit. Het stroomt weg. Wanneer je een gedicht leest, ontvouwt de taal zich in beelden, maar die beelden zijn niet altijd ‘van hier’. Iets bevreemdt, ontroert, of verontrust. Rutger Kopland heeft in die context eens het onderscheid ‘geestelijke wereld’ versus ‘reële wereld’ gemaakt. Dat betekent dat beelden van ‘daar’ in het idioom van ‘hier’ belanden.
Als dichter vertel ik je waarschijnlijk niets nieuws. Ik kan je de dingen die je weet of die jij vermoedt, of waarnaar je nieuwsgierig bent wel opnieuw vertellen, op mijn manier en in nieuwe zinnen. En wanneer jij dan denkt: ‘hé, dat is …’, onttrekt het zich alweer aan je.
Dat is wat ik bedoelde: we voelen en vermoeden antwoorden meer dan dat we het zeker weten. Antwoorden roepen nieuwe vragen op, dat is een essentieel kenmerk van poëzie.

Je treedt af en toe op. Vind je dat al je gedichten voor het podium kunnen dienen of heb je voor optredens een speciale selectie gedichten?
Ik ben niet in de eerste plaats een performer en al helemaal geen podiumbeest. Ik heb wel het voordeel dat ik als muzikant voor publiek heb gestaan, waardoor ik iets begrijp van een spanningsopbouw. In heb laatst in Amsterdam opgetreden, op een open podium, en daar kreeg ik het publiek stil. Dat had alles te maken met de keuze die ik vooraf had gemaakt en waardoor ik overtuigend kon overkomen.
Misschien kan een rasperformer om het even wat voordragen. Onlangs zag ik iemand ‘De blijde boodschap’ van Gerard Reve met veel elan voordragen. Hij deed dat helemaal niet onverdienstelijk, met humor en de juiste dictie. Toch had ik een dubbel gevoel bij de vrijblijvendheid waarmee hij voordroeg.
Heb je Ingeborg Bachmann wel eens zien optreden? Zij bracht haar werk alsof het een noodzaak betrof, alsof haar hele wezen ervan afhing. Ik vond dat leerzaam. Ik vind het belangrijk om een gedicht voor te dragen dat geen enkele vrijblijvendheid in zich draagt. Dat gedicht moet bovendien over mij gaan, het moet mij op het lijf geschreven zijn, dat ben ik en als ik het voordraag moet dat zo gebeuren dat het jou stil maakt. En het moet uitnodigen om het te gaan lezen en opnieuw te gaan lezen.

Je speelde ook professioneel piano, begin jaren negentig. Je stopte toen met het schrijven van gedichten. Hoe verhoudt het muzikale zich met het schrijftalent?
Ik ben een multitalent in die zin dat ik naast het schrijven een muzikaal talent heb en daarnaast ook niet onverdienstelijk schilder. Maar ik merk dat ik als schrijver de lat automatisch hoger leg. Hoe meer ik op het muzikale vlak vorderde en lof ontving vanuit professionele hoek, des te meer ik me met de teksten of onvolkomenheden in teksten van anderen ging bemoeien. Dat is toch een wat vreemde reactie, vind je niet? Tot ik op een punt belandde waar ik ook mijn onvolkomenheden als muzikant leerde inzien en begreep dat ik eigenlijk liever wilde schrijven. Ik heb toen bewust een keuze gemaakt, en sta daar nog steeds achter. Ik maak nog steeds muziek, maar heb niet meer die ambitie.
Wat ik ook heb ingezien is dat talenten zich niet noodzakelijkerwijs op één niveau bevinden: iemand is niet ‘simpelweg’ een dubbel of trippel getalenteerd kunstenaar, ik geloof daar niets van. Om voor mezelf te spreken: ik ben een redelijk getalenteerd pianist en een voortreffelijk begeleider, maar ik ben geen musicus ‘pur sang’. Ik heb dat in de loop van de jaren moeten ervaren en ontdekken, en bevriende kunstenaars die ouder waren dan ik hadden me daar eerder al fijntjes op gewezen. Omgekeerd kan ik wel zeggen dat mijn muzikaliteit en mijn vermogen om in beelden te denken me bij het schrijven van pas komen, sterker nog: in woorden komen ze echt tot hun recht. En mocht de toekomst toch andere dingen in petto hebben, merk ik dat ook wel.

Hugo Verstraeten onderwierp je gedichten ooit aan ‘een kritische lezing’, waarvan een verslag staat op je website. Hoe ga jij in het algemeen met kritiek om?
Of het nu opbouwende of afbrekende kritiek betreft: alles beter dan helemaal geen oordeel of een onverschillig oordeel. Je schrijft toch ook om te worden gelezen? En ik vind het wel prettig als ik opval.
De een valt voor de toegankelijkheid van mijn gedichten, een ander roemt de afwezigheid van het overdreven ‘poëticale’. Weer een ander ontgaat de worsteling die aan een schijnbaar eenvoudige verwoording voorafgaat en mist de ‘verdichting’. Ik neem ieders woord serieus, zolang het op argumenten is gestoeld. Ik ben altijd nieuwsgierig naar de argumenten. Waar ik niet tegen kan, is een oordeel als ‘weliswaar enkele geslaagde zinnen, maar (…)’ of ‘leest als een gedicht zonder het werkelijk te worden’. Dergelijke kritiek wordt nergens concreet, en je verdenkt een criticus ervan dat hij die intentie ook niet heeft. Als ik over een ander schrijf, zou ik hem of haar een dergelijk arrogant oordeel nooit willen aandoen. Je raakt ervan aan het malen in plaats van dat het je tot denken aanzet.

Als een lezer een gedicht helemaal anders leest dan jij bedoelt, vind je dan dat het gedicht mislukt is of de lezer niet goed wijs?
Nee, integendeel. Als een lezer een gedicht heel anders leest dan ik bedoelde, ben ik pas echt wakker. Want het betekent dat het gedicht in zichzelf niet statisch is maar beelden oproept en voor iedere lezer een eigen gezicht krijgt. Zo heb ik gemerkt dat het gedicht ‘De bezoekers’ telkens anders wordt uitgelegd. Daardoor is het gedicht allerminst mislukt. Het wordt opgemerkt en het is ook vaker in tijdschriften geplaatst, om uiteenlopende redenen, en steeds in een andere context. In Gierik en Nieuw Vlaams Tijdschrift verscheen het binnen een religieuze context. Meestal wordt het als mystiek ervaren, terwijl het gaat om een groep mensen en het allemaal draait om het begrip ‘mens’. ‘De bezoekers’ wordt volgens mij wel als stellig ervaren, en misschien dat lezers daarom het gevoel krijgen dat hun lezing de enige juiste is. Ik ga je niet vertellen hoe het precies ontstond, laat het een klein raadsel blijven.

Streef je naar een bundel? Zijn daar plannen voor?
Ik heb het door mijn drukke werkzaamheden als vertaler vaak voor me uit geschoven, terwijl ik het graag wil. Maar ik heb de afgelopen jaren wel regelmatig in tijdschriften gepubliceerd en bespeur ook bij optredens een oprechte belangstelling voor mijn werk. Daarnaast ontstaan er steeds weer nieuwe gedichten die goed worden ontvangen.
Er bestaan inderdaad ook plannen voor een publicatie en de bedoeling is om die het komende jaar voor het eerst concreet te maken. Ik zou graag in boekuitgave willen worden gelezen, ben nog op zoek naar een redacteur.

Interview met Jetteke van Wijk

'Ik moet de tijd en de moeite investeren, niet de lezer'

 

Jetteke van Wijk is Midden-Oostencorrespondente voor de VRT, Radio2 en de Wereldomroep. Zij heeft een column in de Vlaamse krant De Standaard en schrijft voor Trouw en De Pers. In De Brakke Hond publiceerde zij gedichten, korte verhalen en een essay over oorlogsjournalistiek. De Gids plaatste een verhaal waarvoor zij een eervolle vermelding kreeg bij de Nieuw Proza Prijs 2005. Bij Meander kennen we Jetteke van Wijk vooral als dichteres.

In een eerder gesprek met je in Meander kwam de tegenstelling ter sprake tussen je vaak luchtige gedichten en het ongetwijfeld loodzware bestaan in het Midden-Oosten. Natuurlijk dicht je wel degelijk over wat je ziet gebeuren, maar je gedichten doen geen verslag van de gebeurtenis zelf…
Dat is ook moeilijk bij dit soort journalistieke gedichten, vooral omdat de pers doorgaans pas na de gebeurtenis arriveert. ‘Katjoesja’ beschrijft bijvoorbeeld precies wat ik aantrof toen ik, kort na de inslag, tijdens de Tweede Libanonoorlog van vorig jaar de plek bereikte waar de raket was neergekomen. De katjoesja zelf heb ik echter – gelukkig – niet zien vallen, omdat ik toen nog ergens anders was.

Gaat het in deze gedichten dus om dingen die je niet in je verslagen verwerkt maar waarvan je denkt ‘dit doet er ook toe, misschien nog wel meer’?
Niet opzettelijk of met voorbedachten rade, maar daar kan het inderdaad in resulteren. De aanslag uit het andere gedicht heb ik bijvoorbeeld toevallig wel zien gebeuren. Wat me daarvan altijd is bijgebleven, is hoe surreëel snel alles weer was hersteld en het normale leven werd hervat. Dat is overigens een algemeen fenomeen, zowel aan Israëlische als aan Palestijnse kant. In 2002, toen het Israëlische leger de Palestijnse steden wekenlang overnam en daar flink huishield, kwamen een bevriende fotografe en ik eens in Bethlehem, letterlijk dertig minuten nadat de militairen zich hadden teruggetrokken in de nacht. Het stadsdeel waar het zwaarst gevochten was, leek nog het meest op Libanon tijdens de burgeroorlog: totaal verkruimelde gebouwen, uitgebrande woningen, metershoge puinhopen. Maar terwijl we daar rondliepen, kwam de bevolking voor het eerst in weken weer buiten, nam de schade op en zette de schouders eronder. Nog vóór de lunch was Beiroet weer veranderd in Bethlehem, zij het dat hier en daar een huis ontbrak.

Ik vraag me eigenlijk af of je dichterschap vooral in het verlengde ligt van je journalistieke werk, of meestal juist een tegenwicht biedt.
Ik denk eigenlijk allebei wel een beetje. Het gaat, althans in mijn `journalistieke’ gedichten, doorgaans om de dingen die zijn blijven hangen, die mij op de een of andere manier gegrepen hebben. Door mijn hoofd dwarrelen dagelijks duizenden beelden, en een enkele keer laten die zich plots in woorden en metrum vangen.

De vorm die je hanteert is vrijwel altijd simpel. Is dat van belang voor je?
Absoluut! Zelf lees ik het liefst toegankelijke gedichten; gedichten die ik denk direct te kunnen doorgronden zonder eerst allerlei lagen af te pellen of beeldspraken te decoderen. Bij mijn eigen werk hanteer ik datzelfde principe. Ik wil iets overbrengen, iets communiceren, en acht het ‘mijn’ taak dit zo helder mogelijk te doen. Ik moet de tijd en de moeite investeren, niet de lezer. Maar misschien is dat ook wel gewoon de journalist in me.

Je gedichten lijken vooral beeldend. Wat is er eerst, woorden die je te binnen vallen, de gebeurtenis, het plaatje?
Ik ben inderdaad heel visueel ingesteld; doe ook veel aan fotografie. En daarnaast ben ik een dagdromer. Ik was zo’n kind dat onderweg naar school regelmatig de buurt redde van vervaarlijke vossen, schuilend in de bosjes van onze nieuwbouwwijk en loerend op de plaatselijke jeugd. Ook nu kan ik nog altijd fysiek in de rij van de supermarkt staan, maar met mijn hoofd in geheel andere werelden verkeren.
Soms ontstaat een gedicht precies dan. Dagdromend boven de afwas wordt de visuele weerslag van een gebeurtenis opeens verrijkt met woorden, die zich vervolgens tot zinnen laten rijgen. Net zo vaak komt het echter voor dat een krantenkop, een postertekst of iets wat ik iemand hoor zeggen opeens zinnen en beelden ontsluit. Dat kan tien minuten na `de gebeurtenis’ zijn, maar ook rustig tien of twintig jaar.
Een enkele keer is het de poëzie van anderen die de deur op een kier zet. Ik stond eens in de Bijenkorf, las drie regels in een bundel en werd opeens overvallen door een gedicht waarvan ik niet eens wist dat het in me zat. Toen heb ik mezelf maar met een servetje en een pen op de meubelafdeling geparkeerd en ben aan het werk gegaan.

Dus, niet alleen het doel is heel anders dan bij de journalistiek, maar ook de manier waarop je het dichten aanpakt. Wat haal je er voor jezelf uit?
Poëzie is, althans voor mij, een manier om impressies en gedachten weg te zetten in woorden. Misschien helpt het mijn blik te scherpen, of misschien houdt het mijn hoofd helder. Ik weet het eigenlijk niet. Bottom line: het is iets wat ik doe, en dat gewoonweg omdat ik dat soms even moet.

Raak je door het verblijf in Israël ook bekend met wat daar op literair gebied leeft?
Ik werk eigenlijk vanuit een soort literair isolement. Ik ben helaas te weinig in Nederland om te weten wat daar allemaal op dit gebied speelt, terwijl de Israëlische en Palestijnse poëzie grotendeels aan me voorbijgaat vanwege de taalbarrière. Natuurlijk vertrek ik vaak uit Nederland met een koffer vol boeken en natuurlijk zit ik hier wel eens in het schrijverscafé met wat vertaalde werken op schoot, maar ik heb de ontwikkelingen niet scherp omlijnd op mijn radar.

Welk doel staat je voor ogen met betrekking tot je poëzie?
Tja. Als ik mocht kiezen en als de huur dan nog steeds elke maand werd betaald, dan zei ik hoogstwaarschijnlijk de journalistiek vandaag nog vaarwel om me volledig aan dat andere schrijven te wijden. Maar zelfs dan zou, denk ik, het zwaartepunt toch bij proza liggen; of dat nu feit of fictie is. Natuurlijk hoop ik ooit genoeg kwalitatief acceptabele gedichten in mijn laptop te hebben voor een bundel – maar voorlopig blijft dat niet meer dan een droom.

De Iraans-Nederlandse schrijfster Nafiss Nia

'Liefde voor poëzie kun je aanleren'

 

De Iraans-Nederlandse filmmaakster, schrijfster en vertaalster Nafiss Nia woont sinds 1992 in Nederland. Naast het maken van documentaires en filmscenario’s publiceert ze proza en poëzie. Een gesprek over filosoferen zonder al te veel stof, rode draden, passie voor de poëzie en het delen van woorden met anderen.

Je bent in 1992 uit Iran vertrokken. Hoe was het om hier in Nederland aan te komen?
De Europese cultuur en in het bijzonder de Nederlandse cultuur waren mij niet volkomen onbekend. Ik wist er veel van door boeken en films. Er is niet echt een groot cultuurverschil, ook al wordt dat door velen verondersteld. Het verschil zit hem vooral in details. En zulke details in sommige gewoontes, normen en waarden, vielen mij direct op. Door mijn opvoeding en mijn eigen levensstijl kon ik de overeenkomsten vertroetelen en van de verschillen leren. Ik maakte de goede eigenschappen direct de mijne en probeerde ook de mooie kant van mijn eigen cultuur ten tonele te brengen. Dus, aanpassen ging van een leien dakje, zonder dat ik daarbij mijn oorsprong heb verloren.

In 2004 verscheen je bundel Esfahan, mijn hoopstee. Kun je daar wat meer over vertellen?
Esfahan, mijn hoopstee is mijn eerste dichtbundel en bestaat uit 37 gedichten. Ik heb deze gedichten in vijf jaar tijd geschreven. In die periode had ik meer dan 120 gedichten voltooid, maar de uitgever (Bornmeer, Leeuwarden) heeft een keuze gemaakt van gedichten die verband met elkaar hielden. De rode draad was ‘verleden’ en deze bundel was voor mij zonder meer een afrekening met mijn eigen verleden. Achteraf vind ik het wel jammer dat er een aantal goede gedichten niet is opgenomen vanwege die rode draad. Ik zie liever afwisseling in een dichtbundel.

Poëzie als afrekening met het verleden… Wat beoog je nog meer met het schrijven van gedichten?
Ik hoop niet dat ieder gedicht een afrekening wordt met het verleden. In mijn geval kon ik me nadien concentreren op heden en toekomst en het verleden laten rusten. Schrijven van poëzie geeft mij de kracht om naakt en ongehinderd te kunnen filosoferen zonder daarbij te lang van stof te worden. In mijn gedichten ben ik de eerlijkste Nafiss die je je maar kunt bedenken, over mezelf en over anderen, maar zonder uitleg. Ik ben een dichter, uitleggen laat ik aan filosofen over.

Waar moet volgens jou een goed gedicht aan voldoen?
Ik ga hier niet op technische zaken in. Maar een gedicht is voor mij eenvoudigweg goed wanneer de essentie, een stukje, een vers of een paar woorden van een gedicht je bijblijft. Als mensen naar mij toe komen en een vers van mijn eigen gedicht reciteren en hun mening daarover uiten, denk ik: dit is goed gelukt.

Schrijf je je gedichten eerst in het Nederlands of in het Farsi?
Ik schrijf rechtstreeks in het Nederlands. In het begin ging het moeizamer. Ik vertaalde mijn gevoelens en gedachten onbewust in mijn hoofd van het Farsi naar het Nederlands. Nu ontstaan gevoelens en gedachten bij voorbaat in het Nederlands en hebben ze misschien ook meer Nederlandse eigenschappen, maar de invloed van de rijke Perzische poëzie op mijn gedichten is onloochenbaar. Dat is de bagage die ik vanzelfsprekend mee heb genomen; een extra dimensie die ik erg koester.

Kun je een voorbeeld geven van hoe die Perzische poëzie in jouw eigen gedichten doorwerkt?
Het is moeilijk aan te geven welke regels en woorden Perzisch zijn en welke Nederlands. Dat laat ik liever aan de interpretatie van de lezer over. De moderne Perzische poëzie staat bekend om haar beeldspraak en dat zie je terug in mijn gedichten, vooral in mijn vroegere teksten. Ik hou overigens van allerlei soorten poëzie en er is geen dichter van wie ik helemaal níets leuk vind. Maar mijn grote voorbeeld uit de moderne Perzische poëzie is Ahmad Shamlou. Zijn gedichten zijn allesomvattend en schitterend qua inhoud en vorm. Hij heeft de Perzische taal in sterke mate verrijkt; hij creëerde veel nieuwe woorden en termen en bracht mooie oude Perzische woorden opnieuw tot leven.

Hoe is het volgens jou met de kwaliteit van de Nederlandstalige poëzie gesteld?
Het is voor mij te vroeg voor een algemeen oordeel, want ik ben nog volop aan het observeren en ontdekken. Maar ik kan het wel over mijn smaak hebben. Nederlandstalige poëzie heeft veel ramen voor mij geopend. Ik leerde daardoor de humor kennen, de directheid en de droge empathie. Ik kan erg genieten van Nederlandstalige gedichten. Mijn favoriete dichters zijn onderling zeer verschillend. Ik geniet van de poëzie van Herzberg en Kopland, voel mee met die van Vasalis en Slauerhoff, overpeins poëzie van Van Ostaijen en Marsman en adem met de gedichten van Lucebert. Dat zijn echter zeker niet de enige dichters die ik graag lees. Het Nederlandse taalgebied is rijk aan poëzie, maar helaas arm aan poëzieliefhebbers.

Waar zou dat toch aan liggen, die armoe?
Ik hoorde laatst iemand zeggen: ‘Liefde voor poëzie, je hebt het of je hebt het niet’. Ik ben het daar totaal niet mee eens. Je moet zoiets voeden, onderhouden en verzorgen. Er is een grote kloof tussen dichters en hun publiek. De meesten willen liever gewaardeerd worden door hun collega’s en recensenten dan door andere mensen. Dit veroorzaakt desoriëntatie en vervolgens ook een zekere afstand tussen poëzie en publiek. Liefde voor poëzie kan eenieder aanleren, daar ben ik heilig van overtuigd. Afgelopen zomer heb ik in Frankrijk een zevendaagse cursus poëzie gegeven aan Nederlanders. Ik had een koffer vol met Nederlandstalige gedichten meegenomen, van de oude garde tot en met jonge dichters. Iedere dag begon ik de les met een gedicht en eindigde ik met een ander gedicht. Ik gaf de cursisten ook bundels mee om ‘s avonds in te bladeren en hun favoriete gedicht te kiezen. Aan het eind zeiden de cursisten stuk voor stuk: ‘We hebben veel geleerd qua techniek en analyse, maar de belangrijkste les was de liefde voor poëzie; die hebben we gezien, gehoord en gevoeld in jouw ogen, stem en passie voor poëzie’. Dit werkte aanstekelijk, want de cursisten van andere disciplines kwamen steeds naar mij toe en zeiden dat ze veel moois over mijn cursus gehoord hadden. ‘Kom je alsjeblieft volgend jaar terug? We willen namelijk ook meedoen aan deze cursus.’ Is dat niet prachtig?

Wat kunnen we in de naaste toekomst nog meer van je verwachten?
Ik werk simultaan aan verschillende projecten. Zo blijft mijn werk spannend. Mijn leven schommelt al een hele tijd tussen film en literatuur. Aan beide disciplines beleef ik veel genoegen. Ik heb pas mijn debuutroman afgemaakt (dat was trouwens de derde en hopelijk laatste versie): een jeugdroman voor 11 jaar en ouder. Gelukkig zijn er genoeg uitgevers die geïnteresseerd zijn. De bedoeling is dat het verhaal na publicatie wordt verfilmd. Ik heb er al een producent voor. Het mooiste is dat ik het scenario zelf kan schrijven, dat is al afgesproken. Ik heb ook gedichten klaar liggen voor een tweede bundel en zoek momenteel een uitgever. Verder ben ik bezig met het vertalen van een keuze uit honderd jaar moderne Perzische korte verhalen voor uitgeverij Atlas. Die bundel zal in 2009 uitkomen. En ik werk momenteel aan twee korte filmscripts als bijdrage voor het filmproject NPS-Kort. Het ene script zou ik graag zelf willen regisseren, het tweede wordt door iemand anders gemaakt. Wat ik graag en regelmatig doe is optreden met mijn eigen poëzie en lezingen geven over Stegen van stilte, de bloemlezing van honderd jaar moderne Perzische poëzie (in april 2007 verschenen bij uitgeverij Bulaaq) Voor mij is er niets mooiers dan het delen van mijn woorden met andere mensen.

(7) Hermetische poëzie

Wat is poëzie? Hoe moet deze gelezen worden? Is hedendaagse slam-poëzie ook echt poëzie? Het zijn actuele vragen. In een reeks korte essays zal de poëzie vanuit verschillende invalshoeken betreden worden. De zoektocht naar het wezen van de poëzie zal hierin centraal staan. Deel 7 gaat over hermetische poëzie.
 

Deel 7
Zoals alles in het leven wordt ook de poëzie verscheurd door de twee krachten van vernieuwen en bewaren. Enerzijds is er de traditie, het Grote Huis, de Vader die alles wat zijn voorbeeld navolgt van zijn poëtische zegen zal voorzien. En anderzijds is er de rebelse zoon, die van het huis wegloopt. Hij is die ene speciale zoon om wie de vader heimelijk het meest geeft; meer dan om zijn andere trouwe, karakterloze zonen. Maar de vader heeft een gezin te bewaren, hij wordt beheerst door de neiging tot conserveren, terwijl de zoon nog een nieuw gezin moet stichten. De zoon moet allereerst vernietigen: het bestaande vernieuwen.

Vader en zoon zijn ook in de poëzie terug te vinden. De vader wordt in de schoolbanken onderwezen. Maar zoals iedere kunstvorm wil de poëzie ook graag de jeugdige zoon zijn. Daarvoor klampt zij aan bij de cultuurgeest. Daarvoor loopt zij volmondig mee in de parade van de mooie ware woorden, van vooruitgang, nieuw en modern. In andere tijden waren andere zaken modern. Ooit waren bijvoorbeeld de geschriften van Abraham en de zijnen modern en vooruitstrevend. Ooit waren de alchemisten modern en vooruitstrevend, maar we hebben nooit de steen gevonden die in goud te veranderen was. Nu zijn andere zaken modern en vooruitstrevend.
Aan het begin van de twintigste eeuw werd op natuurkundig gebied een aantal vooruitstrevende ontdekkingen gedaan. Tijd en plaats werden relatief. Ruimte was niet langer lineair, maar buigzaam. De objectiviteit van een object ging niet verder dan de subjectiviteit van de waarnemer. Met andere woorden: alles wat ik feitelijk wil vaststellen, wordt gekleurd door de manier waarop ik het bekijk. De gevolgen van deze verschuiving zijn niet te overzien geweest voor de cultuurgeest, maar ze waren zeker modern en vooruitstrevend.
Er zijn grosso modo twee manieren geweest om met deze kennis om te gaan. Ze zijn in de loop der tijd gepolariseerd en recht tegen over elkaar komen te staan, zoals wel vaker juist in een familiesituatie voorkomt. Enerzijds is er de volledige acceptatie. Volgens deze zienswijze is subjectiviteit de hoogst mogelijke kennis. Er wordt alleen geschreven over wat men zelf vindt en ziet. Er is geen sprake van een ideologie of van een hogere autoriteit, tenzij het gaat om een persoonlijke ideologie of autoriteit. De gedichten zijn helder geformuleerd in een taal die we allemaal spreken, precies zoals de spreker hier nu voor ons staat en zichzelf is. Het levert toegankelijke poëzie op die bedoeld is om te communiceren, om uit te dragen en soms om kleur te bekennen. Poëzie die bijvoorbeeld de richting op gaat van de toneeltekst.
Anderzijds wordt er gekeken naar die buigzame waarneming. Als de grens van kennis – en dus van moderne waarheid – bij waarneming ligt, dan wil zij juist daar het onderste uit de kan halen. En daar heeft de hermetische poëzie haar aanvang. Ook deze poëzie is bedoeld om te communiceren, om uit te dragen en soms om kleur te bekennen. Maar deze poëzie gaat doelbewust een andere richting op, die soms lijkt op die van de beeldende kunst, soms op die van de muziek.

Hermetische poëzie richt zich op de manier waarop mensen lezen, en hoe ze dat wat ze lezen, waarnemen en verinnerlijken. Er komen woorden op de lezer af die geen samenhang vertonen. Er rolt geen verhaal uit. Het is moeilijk, ontoegankelijk en levert dus geen rechtstreekse beloning op. Maar door geconcentreerd te lezen, door betekenissen van woorden op te zoeken, door te herlezen en zodoende in de tekst te duiken, worden bepaalde samenhangen voor de lezer zichtbaar. En zo ontrolt er zich toch een verhaal met een boodschap. Alleen gaat het verhaal hier gepaard met duurzame ervaringen, omdat de lezer moeite heeft moeten doen om er te komen.
Overigens is dit een andere vorm van lezen dan het analyseren van poëzie. Poëzieanalyse omvat een aantal handvatten die de kunde van een gedicht op verschillende niveaus inzichtelijk maken. Het daadwerkelijke begrijpend lezen van een gedicht volgt na de poëzieanalyse. Hoewel het lezen van een gedicht zo gevormd wordt door de analyse ervan, is het mogelijk om via dezelfde analyse tot verschillende lezingen te komen. Poëzieanalyse zou hier dus het begrip kunnen vergroten, maar is niet per definitie de manier om hermetische poëzie te lezen.

De kracht van hermetische poëzie schuilt in de manier waarop taal de zintuiglijke waarnemingen bespeelt. Deze poëzie is vormgericht en vertoont in eerste instantie vaak weinig samenhang. De woorden moeten op een andere manier begrepen worden en hun samenhang verkrijgen. Dat kan op grond van inhoud zijn, bijvoorbeeld door de alchemistische verwijzingen in sommige gedichten van Paul van Ostaijen. Maar dat kan ook op grond van muzikale klanken of beelden, opgeroepen door de woorden, of soms zelfs op grond van woordassociaties. Briljante hermetische gedichten, zoals ‘Finnegans Wake’ van James Joyce (als ik dit hier even een gedicht noemen mag) of latere werken van de Franse dichter Mallarmé, combineren meerdere elementen om een ondoorgrondelijk tapijt van woorden te scheppen. Edoch, wie er binnentreedt, en samenhang begint te ontwaren, begrijpt waarom dit zo mooi is en terecht deel uitmaakt van onze wereldliteratuur.

Het communicatieproces dat hermetische poëzie doorloopt, verschilt in wezen niet van dat van toegankelijke poëzie. Beide bieden de lezer of toehoorder de mogelijkheid om via de woorden toe te treden tot een andere werkelijkheid. Maar toegankelijke poëzie is, net zoals toneel, erop gericht om de luisteraar meteen mee te nemen naar die andere werkelijkheid en daar vervolgens haar ‘ding’ te doen. Vaak is de boodschap het belangrijkst en volgt er tegen het einde nog een verrassende wending om de aandacht van de luisteraar vast te houden en hem even te verwonderen, zodat de ervaring van de boodschap aan kracht wint.
Bij hermetische poëzie is de taal eigenlijk de grootste boodschap. De lezer moet meer moeite doen om naar die andere werkelijkheid te geraken. Doet hij dat niet, dan zal het gedicht zich niet voor de lezer openen. Vandaar dat deze poëzie als ontoegankelijk wordt gezien. Echter, wanneer de lezer daarin (gedeeltelijk) slaagt, dan zal hij ook de boodschap van het gedicht ervaren. Die boodschap is gelijksoortig aan die van het toegankelijke gedicht, maar is hier niet het meest belangrijk. De reis naar die andere werkelijkheid zal de lezer diepgaand ervaren als wezenlijk onderdeel van de uiteindelijke boodschap van het gedicht. Hij zal ervoor de kunstzinnig gebruikte uitingen van de taal begrepen hebben. En zonder mij in de slangenkuil van de esthetische ervaring te willen woelen, wil ik hier wel beweren dat deze laatste ervaring hier erg op lijkt.

Ik hoop hiermee de toegangspoort op een kier gezet te hebben. Het waarderen van ontoegankelijke poëzie, en literatuur, vergt geduld en doorzettingsvermogen. Vergelijk het met het waarderen van beeldende kunst of het verkrijgen van inzicht in muziekarrangementen. Volgens hen die het kunnen weten, zijn mensen die dit niet ervaren hebben ‘armer’ dan zij die dit wel ervaren hebben. Maar zover wil ik hier niet gaan.

In deel 8 zal ik ingaan op slam-poëzie. Kun je die kortstondige, kinderlijke hype ook echt poëzie noemen?

(6) Muziek

Wat is poëzie? Hoe moet zij gelezen worden? Is hedendaagse slam-poëzie ook echt poëzie? Het zijn actuele vragen. In een reeks korte essays zal de poëzie vanuit verschillende invalshoeken betreden worden. De zoektocht naar het wezen van de poëzie zal hierin centraal staan. Deel 6 gaat over poëzie en muziek.

Deel 6

In deel 1 hebben we het gehad over het poëtische effect van een gedicht: over zijn kwaliteiten om de lezer een ‘gelogen’ werkelijkheid voor te spiegelen. Het opwekken van zo’n poëtische belevenis is maar ten dele het verhaal van de poëzie. Een andere benadering is om poëzie naast proza te leggen en door vergelijking te zien wat er eigen is aan de poëzie. Er is immers meer duidelijkheid over wat proza inhoudt.

Poëzie is vaak korter dan proza.
Meestal wel, maar niet altijd. Een korte tekst kan ook een verhaal zijn, zoals bij Kafka. Of verworden tot het hybride prozagedicht, zoals bij Baudelaire in zijn ‘Le Spleen de Paris’. Er moet meer aan de hand zijn.
Poëzie is moeilijk en je moet ze vaak herlezen.
Dat is evenmin waar. Er is ook ‘light vers’ dat, hoewel niet door iedereen even hogelijk gewaardeerd, wel eerder tot poëzie dan tot proza gerekend zal worden.
Poëzie is muzikaler dan proza.
Whitman noemde zijn fraaie cyclus ook Song of Myself. De orale oorsprong van de poëzie is nauw verwant aan die van de muziek. De strakke poëzievormen die vroeger in zwang waren – en die inmiddels onder de trein van de moderne tijd gesneuveld zijn – hadden een duidelijke reden. Zij verhieven de tekst van het proza naar de muzikalere poëzie. De klassieke alexandrijn, het romantische sonnet — zij stelden doelbewust hoge eisen aan de muzikaliteit van de gebruikte tekst. Het ritme stond vast, de lettergrepen moesten strak geteld worden en met name de rijmvormen aan het einde van iedere zin waren van belang. Nog steeds worden in songteksten dezelfde strakke regels toegepast. Eén lettergreep te veel en de zanger moet zich er met kunst- en vliegwerk doorheen zingen.

Leg echter een reeks gedichten naast een serie songteksten en het wordt duidelijk dat poëzie meer wil zijn dan woorden, gezet in een goede muzikale setting. Die pretentie is tevens mede debet aan het ontstaan van wat wij nu het ‘vrije vers’ noemen — een term overigens die in hoge mate nietszeggend en zelfs misleidend is.
In songteksten komen vooral ritmische en melodische (toonzetting) elementen aan bod. Niet toevallig behelst het ritmische aspect het fysieke, zelfs seksuele, van de mens. En het melodieuze spreekt vooral het emotionele van de mens aan. Maar, en daarin blinkt de poëzie uit: er is ook de harmonische component, gekoppeld aan het rationele. Die bevindt zich in de samenhang van het geheel. Bij muziek komt de harmonie voort uit het samenspel van instrumenten, waarvan de stem deel uitmaakt. De poëzie kent echter alleen woorden. Vandaar dat een gedicht meer beladen moet zijn dan een songtekst. Het gedicht moet datgene in zijn eentje doen waar de zanger ook zijn bandleden voor heeft.

Welke talige middelen heeft de poëzie hiervoor ter beschikking? Ik heb al het ritme genoemd, ‘metrum’ in jargon. Dit bestaat grofweg uit beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen. Dat klinkt eenvoudiger dan het is. Zo legt niet iedereen op dezelfde plek in een zin de klemtoon en is niet iedere klemtoon gelijk in lengte en zwaarte. Grosso modo is er in een tekst wel een groot aantal beklemtoonde en onbeklemde lettergrepen aanwijsbaar. Wanneer een gedicht hardop voorgelezen wordt, ontstaat er soms een bepaalde cadans. Deze cadans wordt veroorzaakt door het ritme van de tekst: door de nadruk die langer beklemtoonde lettergrepen opeisen en door de snelheid die onbeklemtoonde lettergrepen meegeven. Op deze manier is het mogelijk om in een tekst een bepaalde dynamiek te duiden.

Vroeger werd er vooral een regelmatig ritme gehanteerd. De jambische versmaat is waarschijnlijk de bekendste. Deze bestaat uit een onbeklemde lettergreep, gevolgd door een beklemtoonde. Deze versvoet wordt vervolgens continu herhaald en levert iets op als: ‘En denkend aan de dood kan ik niet slapen’.
De dichter kan vervolgens op subtiele wijze hiervan afwijken. Doordat de vroegere lezer deze regelmaat verwachtte, zoals wij nu het vrije vers verwachten, werden afwijkingen snel begrepen en dientengevolge geapprecieerd. Zo volgden beklemtoonde lettergrepen elkaar op het dramatische hoogtepunt op, om een bombastisch effect teweeg te brengen. Of werden bepaalde bewegingen in de tekst benadrukt: het deinen van golven, het galopperen van paarden. Het was aan de kunde van de dichter om hier vrijelijk mee te variëren.

Naast ritme is er het rijm, waarvan de bekendste vormen zijn: eindrijm, binnenrijm, alliteratie en assonantie. Ik wil niet bij alle varianten stilstaan, maar enkele effecten aangeven.
Eindrijm heeft een concluderend karakter en geeft aan dat iets is afgerond. Zo sluit een goedgekozen laatste rijmwoord het gedicht af, al dan niet met een ‘pointe’. De limerick is hier een zeer goed voorbeeld van: deze dichtvorm teert volkomen op het verrassende eindwoord.
De meest voorkomende varianten in eindrijm zijn het kruisrijm en het omarmend rijm. Bij omarmend rijm zijn het de eerste en de laatste regel van een strofe die rijmen. Bij kruisrijm kruisen de rijmende regels elkaar. De effecten zijn navenant. Tot slot is er nog het mannelijke of vrouwelijke eindrijm, afhankelijk van het al dan niet beklemtonen van de laatste lettergreep.
Binnenrijm wordt vooral gebruikt om de tekst gemakkelijker in het gehoor te laten liggen. Evenals het eindrijm zorgt het ervoor dat de tekst beter te onthouden wordt. Bij alliteratie wordt de beginletter van een woord herhaald, met als effect dat de tekst verspringt – als het ware een klein huppeltje maakt – en ook dat deze wat meer gedragen en plechtiger klinkt. Bij assonantie wordt een klank herhaald, wat een grotere samenhang verleent aan de tekst. Het bombastische effect van de gekozen klank wordt zo tevens versterkt. Het geeft de tekst een bepaalde klankkleur. Denk bijvoorbeeld aan de donder die eraan komt met zijn: rommerdebommerdebom.

Ik vind zelf het volgende stuk uit Coleridge/Wordsworth’s ‘The Rime of the Ancient Mariner’ een fantastisch voorbeeld van de muzikale mogelijkheden van de taal:

The fair breeze blew, the white foam flew,
The furrow followed free:
We were the first that ever burst
Into that silent sea.
 

De wind blaast het bootje voorspoedig vooruit met de vele f’en en b’s. In de ‘urst’-klank van ‘first’ en ‘burst’ klieft de boeg zich door de opspattende golven. En de onheilspellende ‘s’-klankherhaling van ‘silent sea’ vertelt eigenlijk alles. Luisteraar, wees stil en luister! Er is onheil op komst!

Maar ook op een kleiner niveau heeft de tekst zijn eigen muzikaliteit. Ieder woord, en zelfs iedere lettergreep, heeft zijn eigen klank en kleur en wordt op een eigen manier uitgesproken. Vaak bestaat er een relatie tussen de manier waarop een woord klinkt en zijn betekenis, zoals ‘traag’, waarbij de beklemtoonde lange ‘a’ het woord langer in de mond houdt. Aangezien deze effecten vaak niet of nauwelijks bewust gehoord worden, kunnen ze worden versterkt door het gebruik van herhalingen, zoals in de bovenstaande voorbeelden van rijm.
Het summum van deze muzikaliteit van het woord is de ‘onomatopee’, de term voor een kunstige weergave in een of meerdere klanken van een woord of beweging. Het schrijven en horen hiervan vergt de nodige vaardigheid, zoals dit fraaie voorbeeld laat zien, waarin Keats het sluiten (‘look’), persen (‘watchest’) en stromen van het sap (‘oozings hours by hours’) van een fruitpers in klank vervat:

‘Or by a cyder-press, with patient look,
Thou watchest the last oozings hours by hours’
 

Nodeloos te vermelden dat in een muzikaal goed gedicht verschillende elementen hiervan vaker zullen terugkeren.

In het ‘vrije vers’ kan er zelfs vrij en naar hartelust mee gevarieerd worden. Het van tevoren bepaalde metrische stramien ontbreekt immers. Maar, zoals Goethe al betoogde met zijn ‘in de beheersing toont zich de meester’, het wordt de dichter van het vrije vers eigenlijk bijzonder moeilijk gemaakt. Hij moet zich de beheersing zelf volledig meester maken. Vandaar dat eigenlijk iedere grootse dichter zijn eigen ‘vrije vorm’ ontdekt.
Maar het ontbreekt de luisteraar van het ‘vrije vers’ ook aan de handvatten die de klassiek geschoolde luisteraar wel had. Vervreemd als wij zijn van het woord, en gehersenspoeld door het beeld, is het voor ons zeer moeilijk tot nagenoeg onmogelijk om de muzikale subtiliteiten in een tekst meteen te kunnen doorgronden en waarderen. Ons oor is er niet meer aan gewend.
We kunnen ze het beste vinden – zeker in het begin – door het metrum schematisch uit te schrijven, om zo op papier te zien wat in andere tijden nog gehoord kon worden.

Het is een publiek geheim dat poëzie niet met het oog of met het verstand geschreven wordt, maar met het oor. Beelden en woordgrappen verdwenen vaak even snel als ze effect sorteren. Maar wie zich durft te wijden aan de muzikaliteit van de taal, ontdekt een wereld van verschil.

Deel 7: In het volgende deel zal ik ingaan op de vraag die ieder op de lippen brandt: wat is hermetische poëzie en waarom? Of, waarom zou ik ooit nog nodeloos toegankelijk en begrijpelijk schrijven? Dat doet iedereen al!