| Meander * Artikelen * Milieuverveling en de geëngageerde dichter ( 3 ) | ||
|
Milieuverveling en de geëngageerde dichter ( 3 )
Henk Ruijsch
In de vorige twee afleveringen werden vijftien fragmenten en één geheel gedicht aangehaald om ongeveer 150 jaar aan wrevel over het milieu aan te tonen. Dat lijkt een mager resultaat. Het milieu is aanvankelijk niet in het geding. Men juicht de technische ontwikkelingen toe en heeft uitsluitend oog voor de nadelen van storm en watervloed. Later worden wel in toenemende mate (hoewel sporadisch als onderwerp) dingen uit het milieu als "vervelend" beschouwd. Het valt hierbij op dat in de periode voor de Tweede Wereldoorlog het milieu nog niet als iets algemeens wordt gezien, maar als iets wat toebehoort aan veelal één mens (de dichter, die er een beschouwing aan wijdt). "Milieu" was toen, althans in de schaarse voorbeelden, synoniem met "Natuur". In dit derde en laatste deel valt er misschien nog een kentering te signaleren. 4. De periode na de Tweede Wereldoorlog In de bundels van Komrij en Warren vinden we wel enkele voorbeelden van landschapsbeschrijvingen waarin min of meer kwalijke milieuzaken aan de orde komen, maar zelden krijgen zij het karakter van protest. Er is hoogstens een soort sarcasme, waarbij meestal bij de lezer de indruk ontstaat dat het onderwerp wordt aangegrepen om er "een aardig gedicht" over te maken, zoals in "de benzinepomp" van H.H. ter Balkt (ook: Habakuk II de Balker, 1938) waar uitdrukkingen als "'s nachts op zijn mooist in de benzineboomgaard" en "Benzinepomp, vijfde evangelieschrijver" toch eerder grappig dan sarcastisch overkomen. (Uit: "Waar de burchten stonden en de snoek zwom", De Harmonie, Amsterdam 1979) De bioloog Dick Hillenius (1927-1987) schreef het volgende gedicht zonder titel, gepubliceerd in "Verzamelde gedichten", Van Oorschot, Amsterdam, 1991 (bij Warren):
Hier wel veel kritiek, maar overheersend toch sarcasme en humor. 5. De echte "milieuverveling"? Alleen bij Warren vinden we de Surinaamse dichter Shrinivãsi (M.H.Lutchman, 1926) en wel met zijn lange gedicht "Expositie F.Agerkop: Commenwijne sterft". Het geeft een beschrijving van alles wat in Suriname speelt: de armoede, de overheidsintriges en het teloorgaan van het landschap. Dit wordt op een zo indringende wijze weergegeven, dat wellicht alleen een insider (Surinamer!) dit helemaal kan verwerken: "moedeloos staan de bomen in rouwgewaad langzaam terend aan kanker van de fowroedoti" (..dat zoeken we op!...) Uit: "Een weinig van het andere", bloemlezing samengesteld en ingeleid door Geert Koefoed, In de Knipscheer, Haarlem, 1984. Judith Herzberg (1934) merkt een leuke "mini-milieuverveling" op in een "gedateerd" gedicht:
(Uit: Hans Warren (samenst.) Meulenhoffs Dagkalender 1989, Meulenhoff, Amsterdam, 1988) En dat is het dan zo ongeveer wel. Leuk is het gedicht "Vlaardings Roem" van Lévi Weemoedt (I. van Wijk, 1948) , te vinden bij Komrij:
En wat betreft de bundel: "Domweg gelukkig in de Dapperstraat", De bekendste gedichten uit de Nederlandse literatuur (Bijeengebracht en ingeleid door C.J.Aarts en M.C. van Etten, Bert Bakker, Amsterdam 1991): nul komma nul ! In de 250 opgenomen gedichten gaat het wel vaak over de natuur, maar is er van ergernis over het milieu geen sprake, of het zou juist bij Gerrit Komrij moeten zijn in diens gedicht "Hoog op de gele wagen":
(In 1971 gebundeld in Ik heb Goddank twee goede longen. Overgenomen uit 'Alle gedichten tot gisteren', Amsterdam, De Arbeiderspers, 1994) 6. Conclusies Voor zover uit de geraadpleegde verzamelbundels van Komrij en Warren kon worden afgeleid, is de geëngageerdheid bij de dichters wat betreft 'milieuverveling' (wrevel over de verloedering van het milieu) gering. Zoals in de lijn der verwachting ligt, beschouwde men aanvankelijk het milieu als vijandig als het storm- en andere natuurrampen betreft en lieflijk als het onderwerp "lente" was. Pas na de Tweede Wereldoorlog zien we hier en daar afkeuring. Dat ligt natuurlijk ook voor de hand, omdat er toen pas op grote schaal werd vervuild! De grootschaligheid van vervuiling in de natuur treffen we beslist niet aan bij onze dichters. Het blijft natuurlijk de vraag waarom. Enerzijds zou het kunnen zijn dat Komrij en Warren veel milieugedichten hebben afgewezen (men zou hun dat moeten vragen), anderzijds is het de vraag of dichters wel "met beide benen in het milieu staan". Wonen zij zelfs soms te mooi? Begeven ze zich vaak naar plekken waar het nog "goed toeven" is? (Veel dichters geven aan hun gedichten in Frankrijk geschreven te hebben!) Het milieu zorgt overigens wel voor inspiratie tot leuke gedichten, zoals uit de citaten moge blijken. Komrij verdient de eer in ieder geval een gedicht opgenomen te hebben dat een verklaring biedt voor het feit dat zo weinig dichters enige belangstelling hebben voor het milieu. Met dit vers van de Vlaamse dichter Charles Ducal (F.Dumortier, 1952) sluiten we onze verkenningstocht door het milieulandschap af:
[gepubliceerd: maart 2001]
|
||||||||||||
| ^ | deze tekst printen |