| Meander * Interviews * Steven Membrecht | ||
|
De enige remedie tegen de barbarij
Gesprek met Steven Membrecht
Milla van der Have
Schrijvers gaan een moeilijke weg, laverend tussen wat zij van binnen weten wat goed is, ongeacht wat een ieder zegt over hun werk, en tussen het goed doen, luisterend naar een innerlijke stem, goed schrijven en niet lullen. De schrijversweg leidt vroeg of laat naar het kasteel van het literaire circuit, waar voor de een de poorten openzwaaien en dat voor de ander een onneembaar fort blijkt. Dan vol te houden en geen concessies te doen, is wat de schrijver te doen staat, aldus Steven Membrecht. De weg is belangrijker dan het kasteel binnenkomen. Zoals Chagall ooit tegen zijn schoondochter zei: Voel wat je hart je ingeeft en probeer dat je hele leven lang te doen. Een verslag van een breed uitwaaierend gesprek met een schrijver die geen concessies deed, nooit genoeg tijd had, een bezorgd schrijver, een politicus zonder partij. Een denker ziet zijn weg voor zich (Huizinga) Steven Membrecht (1937) bracht zijn jeugd door in een kindertehuis, waar hij liefdevol opgevoed werd door zijn pleegmoeder, die, aldus de schrijver, hem zo'n waanzinnige dosis liefde gaf, dat mijn innerlijk zelfvertrouwen niet stuk te krijgen is. Ik kan altijd terug naar mijn binnenkamer, om tot rust te komen en dan zeg ik net als Galilei, 'en toch draait ze'. Ik lijd niet aan het Barbara Streisand-syndroom, dat zo onzeker zijn dat je nog een film moet maken en nog een film. Ik lijd aan het Galilei-syndroom. Als ik terug ga naar mijn binnenkamer, dan weet ik: en toch draait ze! Dat syndroom heeft de schrijver ook wel nodig gehad, want toen zijn weg hem naar het kasteel bracht, bleek het literaire circuit een vijandig fort. Ondanks een boekenweekessay van zijn hand (Een waarachtige driehoek, 1966) viel het werk van Membrecht buiten de gevestigde orde. Zozeer, dat zelfs besprekingen van zijn werk schaars zijn en zijn naam slechts in kleine kring bekend. Zijn innerlijke Galilei houdt Membrecht sterk. Naast het boekenweekessay noemt de schrijver een ander, heel ander, hoogtepunt in zijn carrière: een bibliotheek die zijn boeken niet wil aannemen, omdat ze te bijzonder zijn. De schrijver vindt het geweldig: Ik vind het heerlijk om thuis te blijven, er niets voor te hoeven doen en toch bijzonder gevonden te worden. Membrechts werk, tekstenboeken en dichtbundels, vonden een tehuis bij uitgeverij De Beuk. Daar vond de schrijver in Wim Simons een uitgever die hem zijn eigen weg liet volgen. Want Membrecht doet geen concessies, geeft niet toe aan economische of andere wetmatigheden: Ik wil wel concessies doen, maar ik kan het niet. Ik kan niet zo maar lullen. Bij mij thuis werd vroeger nooit geluld, er kwamen geen mensen langs om zomaar wat te lullen. Ik had geen tijd om te lullen, ik was bang om dood te gaan. En ik kan het ook niet. Ik kan niet links beginnen en eindigen met iets te doen voor de monarchie. Daarom ook kon en kan Membrecht geen concessies doen aan een uitgever. Ik word er zenuwachtig van. Ik kan het niet opbrengen naar een uitgever te gaan en te leuren met mijn werk. Verachtelijk vind ik dat, leuren. Fontane zei al: 'Ga nooit met je werk leuren, never!' En Huizinga zei: 'Een denker ziet zijn weg voor zich en heeft die te gaan.' Tja, en leidt die weg niet tot roem en miljoenen, dan is dat jammer, maar je moet nooit corrumperen. Voel wat je hart je ingeeft (Chagall) Membrecht zelf is altijd zijn weg gegaan, zijn eigen weg, want geschreven moest er worden. Niet vanuit de Streisand-onzekerheid, niet voor het publiek, met alle knievallen die daar bij horen. Nee, als ik dood ben moeten die boeken er zijn, daarom wil ik ze gepubliceerd hebben. Maar de schrijver maakt zich zorgen, zorgen om jonge schrijvers en om talent dat nu onontdekt blijft. Membrecht hekelt de wereld van uitgevers en kranten, waar oplagecijfers en omzet een grotere rol spelen dan literaire kwaliteit: Er zitten krenten in de pap en door de luiheid van de uitgevers en de luiheid van de kranten gaat er een geweldige hoop verloren. Er is ook veel te weinig tijd voor de literatuur. In kranten worden vijf boeken in één rubriek besproken. En dan die uitgevers, die zeggen dat ze zo goed zijn voor hun schrijvers omdat ze begeleiden. Dat is hetzelfde als een moeder die zegt: 'Ik ben zo goed voor mijn kind want ik vertel het precies wat het moet doen.' Je kunt buiten het circuit je eigen weg niet gaan, want het circuit, kranten, uitgeverijen, prijzen, hangen allemaal met elkaar samen. Het systeem moet absoluut veranderen. Nu worden schrijvers, jonge schrijvers op straat gegooid als ze niets opleveren. Die raken gedesillusioneerd en werken niet meer. Ik ben de énige die het op eigen kracht heeft volgehouden. Want ik maak uit wat er gebeurt, ik voer de regie. Membrecht heeft ook ideeën over wat er anders moet. Eén daarvan is behoorlijk politiek: Laat elke politicus een schrijver adopteren en in elke politieke redevoering die hij of zij houdt die schrijver citeren. Bijvoorbeeld: 'Elektriciteit moet goedkoper, want schrijver X zegt immers: elektriciteit...' en dan volgt een citaat. Laat ze schrijvers zo onder de aandacht van het publiek brengen. In de roman moet worden gedacht (Poesjkin) Hoe ziet de schrijver internet hier in passen? Is internet dan een manier om de krenten uit de pap te vissen? Internet is een belangrijk medium. Internet kan een manier zijn om ontdekt te worden voor de onbekende schrijver. Let wel, de onbekende schrijver die het waard is. Want er wordt veel gefröbeld op internet, iedereen kan iets schrijven, de zeekapitein die iets meegemaakt heeft op zee, kan het schrijven en op internet zetten. Maar dat is niet mijn probleem. Mijn probleem is, dat iets wat het waard is in het erkende circuit zou moeten kunnen verschijnen, ook al is het geen bestseller, ook al komt het bij een kleine uitgeverij vandaan, het zou besproken moeten worden. Dan ligt meteen een volgend probleem op de loer, want hoe bepaal je wie of wat het waard is? Hoe herken je goede literatuur? Dat is een probleem, erkent Membrecht, ze kunnen altijd zeggen dat je niet goed bent. Het is ook subjectief. De dichter heeft zelf natuurlijk wel ideeën over wat goede literatuur is. Hij haalt Poesjkin erbij: In de roman moet worden gedacht, gedacht, gedacht. Wij [Nederland MH] zijn geen natie van denkers. Wij hebben geen Heidegger gehad, wij hebben geen Sartre gehad. Trouwens, onlangs maakte zich in Frankrijk een criticus evengoed zorgen om de Franse literatuur. Die schreef doodziek te worden van al die middelmatige romans. Er werd niet meer gedacht in de Franse literatuur. Ik kan mij vinden in wat Reve schrijft in een brief: 'De literatuur moet om stand te houden veel intenser en samengebalder worden van lading. Een boek moet in de toekomst een soort missaal zijn. Het werk van de schrijver moet vooral incantatief en evocatief zijn. De lezer moet het boek overal op reis in bed op kantoor kunnen openslaan en terstond de troost eruit zien opstijgen.' Daarom heet mijn nieuwe tekstenboek ook Een soort missaal. Maar in de Nederlandse literatuur is het: 'Met Mien en Trien naar de Veluwe en als het regent gaan we niet.' Ook Reve heeft zich niet aan zijn eigen credo gehouden, die blijft maar bezig over jongensbillen. Membrecht vond voor zichzelf een andere weg: Ik ontdekte dat ik terug moest naar de cultuur van een Canetti, een Lichtenberg, een Nietzsche. Dat waren aforistische denkers die wat ze te zeggen hadden meteen zeiden en daar geen verhaaltje omheen breiden. Ik ben de enige in Nederland die die cultuur op gang heeft gebracht en heeft volgehouden. Goed, in de roman moet gedacht worden. Maar in poëzie? Poëzie komt voort uit het diepere denken. We moeten niet bang zijn dat we dat niet begrijpen, we moeten ook niet bang zijn dat we de filosofen niet begrijpen. Uit het diepere denken komen namelijk beelden voort en we moeten ons gewoon maar vasthouden aan die beelden. En ja, die beelden zijn voor iedereen anders, moederliefde betekent voor mij wellicht iets heel anders dan voor een ander. Het zij zo. Dat is het mooie aan poëzie. Dat verschillende interpretaties voortkomen uit dezelfde beelden. Dat is de kracht. Als de dichters maar niet veranderen! (Membrecht) Een groot dichter is een dichter die geworteld is in de geschiedenis. Vooruitstrevendheid, échte vooruitstrevendheid, is meer dan alleen dat. Je kunt alleen vooruitstrevend zijn als je ook het geestelijk erfgoed koestert. De beste schrijvers zijn dan ook door hun grootouders opgevoed, Sartre bijvoorbeeld. Sartre snapte ook niets van geld, die vond het maar onzin dat mensen geld aan hun auto spendeerden. Hij had andere dingen om mee bezig te zijn. Ja, hoe moeten we zijn om te dichten...? Dan haal ik het groot karakter van Buber aan. We moeten een bepaalde innerlijke habitus en rijkdom hebben om te kunnen dichten. En het verhaal is niet waar dat grote schrijvers slechte mensen zijn. Echt grote schrijvers zijn geen slechte mensen want in feite zijn slechte mensen er niet op uit om een ander te vernietigen, maar om zichzelf te vernietigen. Hebben zijn aanvaringen met het systeem Membrechts opvattingen over het dichterschap veranderd? Als de dichters maar niet veranderen!, zegt Membrecht stellig. Als een dichter maar zegt wat hij te zeggen heeft op het moment dat hij het wil zeggen en het kan uitwerken, liefst met een minimum aan woorden. Chique is de eenvoud, dat heb ik van thuis meegekregen. Niet duur doen, niet dik doen. Een gedicht moet eerlijk en echt zijn. Daarmee zeg ik niet zozeer dat het minder barok moet zijn. Kijk, Neruda is ook altijd verontschuldigd voor zijn barokheid, maar hij had dan ook een geweldige maatschappelijk boodschap die doorklonk in zijn gedichten. Als het echt tragisch is, als ik echt tragisch zou willen schrijven, dan wordt het waarschijnlijk ook heel barok, omdat er zoveel in ondergebracht moet worden. Maar in de huidige tijd, met al dat lawaai, zou ik wat de poëzie betreft zeggen: het is tijd voor meer stilte. Maar natuurlijk ook niet zo'n stilte omdat je eigenlijk niets te zeggen hebt, dus laat ik maar een stilte vallen dan lijkt het alsof ik wat te zeggen heb. Nee, ik pleit voor meer stilte in de regels die er staan en minder wit. Hoe ontstaat een gedicht? Heel simpel: je hoort een zin en die bewaar je. Wat wil die zin mij zeggen, wat wil iets in mij mij zeggen? En dan wachten tot dat iets iets meer gaat zeggen. En dat iets neemt zijn tijd en dat moet je ook de tijd geven. Wij zijn ongeduldig, maar geef het tijd. Komt er meer en dan moet je natuurlijk wel een beetje... geschoold zijn, het vak kennen. Je moet er gevoel voor hebben, voor die woorden die op het papier komen. Weten: dit is te klef, te sentimenteel, dit botst met een ander woord. Soms bof je, dan komt het gedicht ineens, in zijn geheel. Die gedichten die in hun geheel komen die moet je als steunpunt houden, als voorbeeld voor de gedichten waar je mee worstelt. Wat ik ook zeg: Rond mijn 20e meende ik ten onrechte te horen hoe je kon dichten. Pas toen ik 40 werd herinnerde ik mij wat niemand mij had kunnen leren: hoe het moest... En bij welke schrijvers voelt Membrecht zich thuis? Met wie voelt hij zich verwant? Dostojewski, Musil, Gombrowicz, Herman Broch. Alle schrijvers die in hun werk het ongewisse hebben. Schrijvers die zo schrijven dat ik op elke bladzijde iets stevigs lees, in de werkelijkheid of vanuit de gedachte, maar dat ik tegelijkertijd op die zelfde bladzijde op de achtergrond de twijfel voel, dat de schrijver zegt: is het wel waar? Hoe kan ik zeggen dat er na de dood iets is? Of dat er niets is? Daar kan een schrijver mee spelen. Neem Lucebert... Lucebert zat niet zo safe met God. Bestaat God? Eigenlijk vond hij van niet. Maar hij had hem nodig, voor zijn gedichten, voor de metafysica. Dus maakte hij er goden van. Datzelfde deed ik ook al lang. En nou moet je niet denken dat ik katholiek ben, of communistisch of dat ik liberaal stem. Ik ben ik! Membrecht hoort bij Membrecht, niet bij links, niet bij rechts. En dat maakt het ook zo moeilijk want dat mag niet in deze wereld, je moet ergens bij horen. Ja, als je zo beroemd bent als Hermans, dan mag je zeggen Ik heb altijd gelijk... Als er een eind komt aan de ellende, dan is het door de kunst (Schiller) Membrechts innerlijke Galilei heeft hem echter altijd op zijn weg gehouden. Zijn gedichten worden geschreven omdat het moet, de boeken en bundels komen er omdat het moet. Hij zegt wat hij te zeggen heeft omdat hij het te zeggen heeft. In De Beuk vonden zijn teksten en gedichten een tehuis. Nu uitgever Wim Simons overleden is, zoekt de schrijver een nieuwe uitgever. En ik wil best meebetalen. Daar heb ik helemaal geen probleem mee. Maar ik heb wel haast, ik heb niet zo lang meer. Er ligt een grote gedichtenbundel klaar, Eiland zonder oog, 70 korte en lange gedichten, en die wilde ik dit jaar uitbrengen, opgedragen aan mijn vriend, omdat we 45 jaar samen zijn. Die bundel moet er komen. Want Schiller zei: als er een eind komt aan deze ellende dan komt dat maar door één ding: de kunst. En zo staat het ook in allerlaatste gedicht uit Eiland zonder oog, wat de dichter voordraagt voor me:
Volgens Meester Schiller was kunst de enige remedie tegen onze zucht naar barbarij. Volgens de vrije Griek Kavafís, aarzelend in samenspraak met het groeiend leed van onze terugblik zonder oog, zelfkennis en geschiedenis de enige remedie tegen het juk van onze machteloosheid waaruit niemand wijs kan worden
Milla van der Have
[gepubliceerd: 1 november 2005]
|
||
| ^ | deze tekst printen |