"Doodgaan, ik draai er mijn hand niet voor om
als jij me liever sterven ziet"
Dat zijn de woorden van de 23-jarige Claudio Monteverdi, vrijdagavond 17 februari ten gehore gebracht in de schouwburg van Tilburg. In het Italiaans gezongen, maar in de op het decor geprojecteerde Nederlandse vertaling mee te lezen. Deze even jeugdige als gepassioneerde liefdesverklaring representeert het thema van deze avond:
Saint Amour.
Liefde: in één woord samengevat waar de avond over gaat. Een avond die desalniettemin zeer gevarieerd is, gevuld met poëzie, zang, muziek en film. Jong en oud, gepensioneerd en CKV-studerend, krijgen vanuit zacht rode pluche stoelen de kans aan tal van facetten van de liefde te proeven.
Op het podium verschijnen de grote namen van de Nederlandse en Vlaamse poëzie, in levenden lijve! Want wat het publiek vanavond hoort en ziet, is de oorsprong van de poëzie: hier verschijnen mensen die vertalen, die luisteren, kijken en voelen om al die indrukken op te snuiven en weer uit te ademen. Maar dan anders; dan in woorden en in klanken. 'Poëzie die van de straat geraapt is', zo wordt Remco Campert aangekondigd. Maar het mag dan op de straat liggen, het ligt er geenszins in de woorden die Campert uitspreekt voor een ontroerd publiek. Het ligt er niet in die vorm, in dit ritme, in die kleur. Vaker lijkt het er te liggen in de woorden van het NOS journaal, in de onomwonden hardheid van de feiten. Hier ligt de bron, hier spreekt de poëzie.
Maar toch is deze avond een feest van herkenning, een feest van romantiek en fantasie, een feest dat georkestreerd wordt door de woorden van Komrij, Gerrit Komrij welteverstaan, die met zijn voordracht schaamte, taboe en humor met liefde weet te verbinden. Fysieke liefde. Schaamrood op wangen boven een brede glimlach om de lippen.
Saint Amour, een avond in een uit Vlaanderen afkomstige traditie, is een kans om de liefde te onderzoeken, onder de loep te nemen en te analyseren. Als in een documentaire op Discovery Channel komen hier de vele kanten van het meest bezongen woord voorbij, met het verschil dat hier de afstandsbediening ontbreekt. Ik snak soms naar een pauze-knop, een herhaling in slowmotion, naar een mooi gedrukte bundel waarvan ik in mijn tempo de bladzijden om kan slaan. Het gaat snel en het applaus doorbreekt te snel het ritme van de woorden. Soms zou stilte volstaan en zelfs zoveel mooier zijn, maar de onmacht van het publiek klatert uit klappende handen: applaus, de macht van het publiek. Waarom niet de stilte van 's avonds poëzie in bed?
Maar toch: poëzie dient voorgelezen, uitgesproken of gefluisterd. De flinterdunne stem van een 76-jarige Hugo Claus, het droeve stemgeluid van P.F. Thomése en de enige vrouwenstem van Anna Enquist. Althans, de enige vrouwenstem die poëzie uitspreekt, want de avond wordt van variatie voorzien door het Antwerpse zangtrio Laïs, door fragmenten uit de Braziliaanse documentaire
O Amor Natural en door de in Vlaanderen reeds populaire Engelse serie
In de Gloria. Poëzie dient een subject te hebben, zo blijkt. Iets waarop de liefde zich kan richten, op kan storten. In elk gedicht richt een ik zich tot een jij: 'zonder jou geen liefde'. Of jij nu leeft of dood bent, echt of fantasie, de liefde is voor jou... Ik luister en geniet, maar zit hier met mijn moeder.
Zoals gezegd is het concept van
Saint Amour in Vlaanderen al succesvol gebleken; nu volgt Nederland. Laat Nederland maar volgen. Het volgend jaar, of het jaar daarna, of het jaar daarna...