In het zomernummer van
Awater schrijft dichter Hagar Peeters onder de titel 'Adieu avant-garde!'(1) een stuk waarin ze stelling neemt tegen de 'postmoderne dominantie in de poëziekritiek' die volgens haar een nadelige invloed heeft op de mogelijke diversiteit van de Nederlandstalige poëzie. Ze illustreert haar mening aan de hand van in haar ogen foute visies op de poëzie van vrouwelijke dichters, poëzie op podia en poëzie die over emoties gaat.
Peeters vindt dat critici teveel meningen van elkaar overnemen, en elkaar normen opleggen waardoor de dichtkunst steeds door eenzelfde bril beoordeeld wordt. Samengevat komt het hierop neer: 'Veel wordt niet begrepen, niet echt gezien.' Het probleem nu met het artikel is dat vooral het eerste voorbeeld waarmee ze haar stelling wil staven een zeer specifieke kant uitgaat (het wel en wee van vrouwelijke dichters) die zeer eigen kwesties oproept. Verder wordt haar antwoord gekoppeld aan een al even controversiële conclusie die vervat zit in de titel: ze wil van het avant-gardistische karakter van de dichtkunst af, en met name het mannelijke aandeel daarin zit haar dwars; het stuk krijgt door dat laatste nog meer het karakter van een genderdebat. 'Weg met die mannelijke heroïek', betoogt Hagar Peeters. In combinatie met de titel 'Adieu avant-garde!' bekruipt me een onbehaaglijk gevoel: ze wil de dichtkunst toch niet domesticeren? En ze zal toch niet zoals dat wel eens voorkomt in sommige feministische discoursen, waarin meer plaats gevraagd wordt voor het vrouwelijke, het mannelijke naar de kant verwijzen? Het zijn traditioneel netelige kwesties, en als het goed is, blijven we met zijn allen veelzijdig denken. Ik wil graag haar vraag naar onbevangenheid in de poëzie benadrukken als een die om nadenken en schrijven vraagt, maar ik kan hierna niet anders dan ingaan op de man-vrouwpolariserende teneur van het artikel, en ook op haar klacht tegen het innoverende en vaak rebelse karakter van de dichtkunst of van geschriften erover.

Zie ook het julinummer van het Vlaamse tijdschrift
Yang, dat geheel aan emoties gewijd is. Geert Buelens schrijft over directe gevoelens in de lyriek: 'Ook is het een vorm van verzet. De wereld wordt onttoverd door wetenschap & techniek en in God wordt niet langer geloofd, maar de schrijver weigert zich neer te leggen bij de verzakelijking en vervlakking die deze evoluties met zich brengen.'(p.194) www.yangtijdschrift.be/